Wetgeving in verband met mobbing

     
     

In dit onderdeel geven wij een overzicht van de bestaande wetgeving in verband met mobbing.

zie ook http://www.dekamer.be/nederlands.html en http://www.senaat.be/ en http://www.staatsblad.be/ 

Wij wensen er nogmaals op te wijzen dat voor een correcte interpretatie van deze wetgeving best een beroep wordt gedaan op specialisten (juristen en advocaten).

  • Wet van 1996 inzake welzijn op het werk (zie 1996 Welzijn Werk)
  • Art. 442bis van het strafwetboek i.v.m. belaging (zie Art. 442bis
  • 17 juni 2002 Wet betreffende de bescherming tegen geweld, pesterijen en ongewenst seksueel gedrag op het werk (zie Onkelinx)
  • 17 juni 2002. - Wet tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek naar aanleiding van de wet van 11 juni 2002 betreffende de bescherming tegen geweld, pesterijen en ongewenst seksueel gedrag op het werk (zie 17 juni 2002)
  • 11 juli 2002. - Omzendbrief betreffende de bescherming tegen geweld, pesterijen en ongewenst seksueel gedrag op het werk (zie omz.11/7/2002)
  • 11 Juli 2002. - Koninklijk besluit betreffende de bescherming tegen geweld, pesterijen en ongewenst seksueel gedrag op het werk  (zie KB 11/7/2002)

1.   4 AUGUSTUS 1996.

Wet betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk. (NOTA: Raadpleging van vroegere versies vanaf 18-09-1996 en tekstbijwerking tot 20-04-1999)

Bron: TEWERKSTELLING EN ARBEID
Publicatie: 18-09-1996
Inwerkingtreding: 01-10-1996 *** 01-08-1999 (ART. 14 - ART. 32) *** 01-10-1997 (ART. 33 - ART. 43)
Dossiernummer: 1996-08-04/00

Overzicht van de structuur van deze wet 
(deze lijn door SASAM toegevoegd)

Art. 1

HOOFDSTUK I. - Toepassingsgebied en definities.
Art. 2-3

HOOFDSTUK II. - Algemene beginselen.
Art. 4-6

HOOFDSTUK III. - Bijzondere bepalingen betreffende tewerkstelling op eenzelfde arbeidsplaats.
Art. 7

HOOFDSTUK IV. - Bijzondere bepalingen betreffende werkzaamheden van ondernemingen van buitenaf.
Art. 8-13

HOOFDSTUK V. - Bijzondere bepalingen betreffende tijdelijke of mobiele bouwplaatsen.
Afdeling 1. - Inleidende bepalingen.
Art. 14-15
Afdeling 2. - Het ontwerp van het bouwwerk.
Art. 16-19
Afdeling 3. - De verwezenlijking van het bouwwerk.
Art. 20-32

HOOFDSTUK VI. - Preventie- en beschermingsdiensten.
Afdeling 1. - Algemene bepalingen.
Art. 33
Afdeling 2. - Specifieke bepalingen betreffende de Interne Dienst voor Preventie en Bescherming op het werk.
Art. 34-39
Afdeling 3. - Specifieke bepalingen betreffende de externe Diensten voor Preventie en Bescherming op het werk en hun afdelingen belast met het medisch toezicht van de werknemers alsook de externe diensten voor technische controles op de werkplaats
Art. 40
Afdeling 4. - Coördinatie in het kader van de Diensten voor Preventie en Bescherming op het werk.
Art. 41
Afdeling 5. - Gemeenschappelijke bepalingen.
Art. 42-43

HOOFDSTUK VII. - De Hoge Raad voor Preventie en Bescherming op het werk.
Art. 44-47

HOOFDSTUK VIII. - Het Comité voor Preventie en Bescherming op het werk.
Afdeling 1. - Toepassingsgebied.
Art. 48
Afdeling 2. - Oprichting.
Art. 49-51, 51bis, 52-55
Afdeling 3. - Samenstelling.
Art. 56-64
Afdeling 4. - Bevoegdheden.
Art. 65
Afdeling 5. - Werking.
Art. 66-68
Afdeling 6. - Overgang van onderneming en overname van activa.
Art. 69-76

HOOFDSTUK IX. - Aan de organen gemeenschappelijke bepalingen.
Art. 77-78

HOOFDSTUK X. - Beroep bij de arbeidsrechtbanken.
Art. 79

HOOFDSTUK XI. - Toezicht en strafbepalingen.
Art. 80-94

HOOFDSTUK XIII. - Slotbepalingen.
Art. 95-101

De wettekst
(deze lijn door SASAM toegevoegd)

Artikel 1. 

Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.

HOOFDSTUK I. - Toepassingsgebied en definities.

Art. 2.

 § 1. Deze wet is toepasselijk op de werkgevers en de werknemers.
Voor de toepassing van deze wet worden gelijkgesteld met:

  • 1° werknemers:
    • a) de personen die, anders dan krachtens een arbeidsovereenkomst, arbeid verrichten onder het gezag van een ander persoon;
    • b) de personen die een beroepsopleiding volgen waarvan het studieprogramma voorziet in een vorm van arbeid die al dan niet in de opleidingsinstelling wordt verricht;
    • c) de personen verbonden door een leerovereenkomst;
    • d) de stagiairs;
    • e) de leerlingen en studenten die een studierichting volgen waarvan het opleidingsprogramma voorziet in een vorm van arbeid die in de onderwijsinstelling wordt verricht;
  • 2° werkgevers: de personen die de onder 1° genoemde personen tewerkstellen.

§ 2. De bepalingen van hoofdstuk V zijn bovendien van toepassing op de personen die betrokken zijn bij de werkzaamheden betreffende tijdelijke of mobiele bouwplaatsen.

§ 3. De Koning kan de bepalingen van deze wet en van haar uitvoeringsbesluiten geheel of gedeeltelijk toepasselijk verklaren op andere dan de bij § 1 bedoelde personen die zich op de bij deze wet en haar uitvoeringsbesluiten bedoelde arbeidsplaatsen bevinden.

§ 4. Deze wet is niet toepasselijk op de dienstboden en het ander huispersoneel en hun werkgevers.


Art. 3.

§ 1. Voor de toepassing van deze wet wordt verstaan onder:

·        1° welzijn: het geheel van factoren betreffende de omstandigheden waarin arbeid wordt verricht zoals bedoeld in artikel 4, tweede lid;

·        2° Comité: Comité voor Preventie en Bescherming op het werk;

·        3° Dienst: Interne Dienst voor Preventie en Bescherming op het werk;

·        4° Hoge Raad: Hoge Raad voor Preventie en Bescherming op het werk;

·        5° organisatie: de in § 2 bedoelde meest representatieve werkgevers- en werknemersorganisaties;

·        6° de wet van 19 maart 1991: de wet van 19 maart 1991 houdende bijzondere ontslagregeling voor de personeelsafgevaardigden in de ondernemingsraden en in de comités voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing van de werkplaatsen alsmede voor de kandidaat-personeelsafgevaardigden;

·        7° opdrachtgever: iedere natuurlijke of rechtspersoon voor wiens rekening een bouwwerk wordt verwezenlijkt;

·        8° bouwdirectie belast met het ontwerp: iedere natuurlijke of rechtspersoon die voor rekening van de opdrachtgever zorg draagt voor het ontwerp van het bouwwerk;

·        9° bouwdirectie belast met de uitvoering: iedere natuurlijke of rechtspersoon die voor rekening van de opdrachtgever zorg draagt voor de uitvoering van het bouwwerk;

·        10° bouwdirectie belast met de controle op de uitvoering: iedere natuurlijke of rechtspersoon die voor rekening van de opdrachtgever zorg draagt voor het toezicht op de uitvoering van het bouwwerk;

·        11° aannemer: iedere natuurlijke of rechtspersoon die activiteiten verricht tijdens de uitvoeringsfase van de verwezenlijking van het bouwwerk ongeacht of hij werkgever of zelfstandige is of een werkgever die samen met zijn werknemers werkt op de bouwplaats;

·        12° coördinator inzake veiligheid en gezondheid tijdens de uitwerkingsfase van het ontwerp van het bouwwerk: iedere persoon die door de opdrachtgever of de bouwdirectie belast met het ontwerp belast is om zorg te dragen voor de coördinatie inzake veiligheid en gezondheid tijdens de uitwerkingsfase van het ontwerp van het bouwwerk;

·        13° coördinator inzake veiligheid en gezondheid tijdens de verwezenlijking van het bouwwerk: iedere persoon die door de opdrachtgever, de bouwdirectie belast met de uitvoering of de bouwdirectie belast met de controle op de uitvoering, belast is om zorg te dragen voor de coördinatie inzake veiligheid en gezondheid tijdens de verwezenlijking van het bouwwerk;

·        14° tijdelijke of mobiele bouwplaats: elke bouwplaats waar civieltechnische werken of bouwwerken worden uitgevoerd waarvan de lijst is vastgesteld door de Koning;

·        15° arbeidsplaats: elke plaats waar arbeid wordt verricht, ongeacht of deze zich binnen of buiten een inrichting bevindt en ongeacht of deze zich in een besloten of in een open ruimte bevindt;

·        16° zelfstandige: iedere natuurlijke persoon die een beroepsactiviteit uitoefent waarvoor hij niet verbonden is door een arbeidsovereenkomst of waarvoor zijn rechtspositie niet eenzijdig is geregeld door de overheid.

§ 2. Voor de toepassing van deze wet worden als (representatieve werkgevers- en werknemersorganisaties) beschouwd: <W 1999-03-05/32, art. 14, 004; Inwerkingtreding: 28-03-1999>

  • 1° de interprofessionele organisaties van werkgevers en van werknemers, die voor het gehele land zijn opgericht en die in de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven en in de Nationale Arbeidsraad vertegenwoordigd zijn; de werknemersorganisaties moeten bovendien ten minste 50 000 leden tellen;
  • 2° de professionele en interprofessionele organisaties die aangesloten zijn bij of deel uitmaken van een onder 1° genoemde interprofessionele organisatie.

Bovendien worden als representatieve werkgeversorganisaties beschouwd de organisaties die overeenkomstig de wetten betreffende de organisatie van de middenstand, gecoördineerd op 28 mei 1979, de middenstand vertegenwoordigen in de Nationale Arbeidsraad.
(Worden eveneens beschouwd als representatieve werkgeversorganisaties de organisaties die de niet-commerciële sector vertegenwoordigen tot wie de samenstelling van de Nationale Arbeidsraad werd uitgebreid krachtens artikel 2, § 2, derde lid van de organieke wet van 29 mei 1952 tot inrichting van de Nationale Arbeidsraad.) <W 1998-02-13/32, art. 51, 002; Inwerkingtreding: 01-03-1998>

HOOFDSTUK II. - Algemene beginselen.

Art. 4.

§ 1. De Koning kan aan de werkgevers en de werknemers alle maatregelen opleggen die nodig zijn voor het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk. <W 1999-04-07/32, art. 27, 005; ED: 01-01-2000>
Het welzijn wordt nagestreefd door maatregelen die betrekking hebben op:

  • 1° de arbeidsveiligheid;
  • 2° de bescherming van de gezondheid van de werknemer op het werk;
  • 3° de psychosociale belasting veroorzaakt door het werk;
  • 4° de ergonomie;
  • 5° de arbeidshygiëne;
  • 6° de verfraaiing van de arbeidsplaatsen;
  • 7° de maatregelen van de onderneming inzake leefmilieu, wat betreft hun invloed op de punten 1° tot 6°.


De Koning kan bijzondere maatregelen vaststellen om rekening te houden met de specifieke toestand van inzonderheid de thuiswerkers, de kleine en middelgrote ondernemingen, de krijgsmacht, de politiediensten en de diensten voor burgerbescherming, met het oog op het bereiken van een gelijkwaardig beschermingsniveau.


§ 2. Tijdens de periode gedurende welke een werknemer, die verbonden is door een PWA-arbeidsovereenkomst, werkt bij een gebruiker, is deze laatste, onder dezelfde voorwaarden als een werkgever, verantwoordelijk voor de toepassing van de bepalingen van deze wet en haar uitvoeringsbesluiten die van toepassing zijn op de arbeidsplaats.
De Koning kan bepalen welke de verplichtingen zijn die respectievelijk aan de gebruiker en de werkgever worden opgelegd en kan de nadere regelen bepalen voor de toepassing van deze wet en haar uitvoeringsbesluiten.
De bepalingen van hoofdstuk XI zijn eveneens van toepassing op de gebruiker.) <W 1999-04-07/32, art. 27, 005; Inwerkingtreding: 01-01-2000>


Art. 5.

 § 1. De werkgever treft de nodige maatregelen ter bevordering van het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk.
Daartoe past hij de volgende algemene preventiebeginselen toe:

  • a) risico's voorkomen;
  • b) de evaluatie van risico's die niet kunnen worden voorkomen;
  • c) de bestrijding van de risico's bij de bron;
  • d) de vervanging van wat gevaarlijk is door dat wat niet gevaarlijk of minder gevaarlijk is;
  • e) voorrang aan maatregelen inzake collectieve bescherming boven maatregelen inzake individuele bescherming;
  • f) de aanpassing van het werk aan de mens, met name wat betreft de inrichting van de werkposten, en de keuze van de werkuitrusting en de werk- en produktiemethoden, met name om monotone arbeid en tempogebonden arbeid draaglijker te maken en de gevolgen daarvan voor de gezondheid te beperken;
  • g) zo veel mogelijk de risico's inperken, rekening houdend met de ontwikkelingen van de techniek;
  • h) de risico's op een ernstig letsel inperken door het nemen van materiële maatregelen met voorrang op iedere andere maatregel;
  • i) de planning van de preventie en de uitvoering van het beleid met betrekking tot het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk met het oog op een systeembenadering waarin onder andere volgende elementen worden geïntegreerd: techniek, organisatie van het werk, arbeidsomstandigheden, sociale betrekkingen en omgevingsfactoren op het werk;
  • j) de werknemer voorlichten over de aard van zijn werkzaamheden, de daaraan verbonden overblijvende risico's en de maatregelen die erop gericht zijn deze gevaren te voorkomen of te beperken:
    • 1° bij zijn indiensttreding;
    • 2° telkens wanneer dit in verband met de bescherming van het welzijn noodzakelijk is;
  • k) het verschaffen van passende instructies aan de werknemers en het vaststellen van begeleidingsmaatregelen voor een redelijke garantie op de naleving van deze instructies.

§ 2. De werkgever bepaalt:

  • a) de middelen waarmee en de wijze waarop het in § 1 bedoelde beleid inzake het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk kan worden gevoerd;
  • b) de bevoegdheid en verantwoordelijkheid van de personen belast met het toepassen van het beleid inzake het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk.
    De werkgever past zijn welzijnsbeleid aan in het licht van de opgedane ervaring, de ontwikkeling van de werkmethoden of de arbeidsomstandigheden.

§ 3. De Koning kan de in § 1 bedoelde algemene preventiebeginselen nader omschrijven en nader uitwerken met toepassing van of ter voorkoming van specifieke risicosituaties.


Art. 6.

ledere werknemer moet in zijn doen en laten op de arbeidsplaats, overeenkomstig zijn opleiding en de door de werkgever gegeven instructies, naar zijn beste vermogen zorg dragen voor zijn eigen veiligheid en gezondheid en deze van de andere betrokken personen.
Daartoe moeten de werknemers vooral, overeenkomstig hun opleiding en de door de werkgever gegeven instructies:

  • 1° op de juiste wijze gebruik maken van machines, toestellen, gereedschappen, gevaarlijke stoffen, vervoermiddelen en andere middelen;
  • 2° op de juiste wijze gebruik maken van de persoonlijke beschermingsmiddelen die hun ter beschikking zijn gesteld en die na gebruik weer opbergen;
  • 3° de specifieke veiligheidsvoorzieningen van met name machines, toestellen, gereedschappen, installaties en gebouwen niet willekeurig uitschakelen, veranderen of verplaatsen en deze voorzieningen op de juiste manier gebruiken;
  • 4° de werkgever en de interne dienst voor preventie en bescherming op het werk onmiddellijk op de hoogte brengen van iedere werksituatie waarvan zij redelijkerwijs kunnen vermoeden dat deze een ernstig en onmiddellijk gevaar voor de veiligheid en de gezondheid met zich brengt, alsmede van elk vastgesteld gebrek in de beschermingssystemen;
  • 5° bijstand verlenen aan de werkgever en de interne dienst voor preventie en bescherming op het werk, zolang dat nodig is om hen in staat te stellen alle taken uit te voeren of aan alle verplichtingen te voldoen die met het oog op het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk zijn opgelegd;
  • 6° bijstand verlenen aan de werkgever en de interne dienst voor preventie en bescherming op het werk, zolang dat nodig is, opdat de werkgever ervoor kan zorgen dat het arbeidsmilieu en de arbeidsomstandigheden veilig zijn en geen risico's opleveren voor de veiligheid en de gezondheid binnen hun werkterrein.
    De Koning kan de verplichtingen van de werknemers nader bepalen en verder uitwerken met toepassing van of ter voorkoming van specifieke risicosituaties.


HOOFDSTUK III. - Bijzondere bepalingen betreffende tewerkstelling op eenzelfde arbeidsplaats.

Art. 7. 

Verschillende ondernemingen of instellingen die bedrijvig zijn op eenzelfde arbeidsplaats waar werknemers werken, werken samen bij de uitvoering van de maatregelen met betrekking tot de veiligheid en de gezondheid van de werknemers en moeten hun optreden op dit vlak coördineren.
De Koning bepaalt de voorwaarden en de regels voor de in het eerste lid bedoelde samenwerking en coördinatie.

HOOFDSTUK IV. - Bijzondere bepalingen betreffende werkzaamheden van ondernemingen van buitenaf.

Art. 8. 

De werkgever in wiens inrichting werknemers van ondernemingen van buitenaf werkzaamheden komen uitvoeren, is ertoe gehouden:

  • 1° de werkgevers van die werknemers de nodige informatie te verstrekken ten behoeve van hun werknemers met betrekking tot de risico's en de maatregelen inzake het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk van toepassing in zijn inrichting;
  • 2° zich ervan te vergewissen dat deze werknemers de passende opleiding en instructies inherent aan zijn bedrijfsactiviteit hebben ontvangen;
  • 3° het optreden van de ondernemingen van buitenaf te coördineren en de samenwerking tussen deze ondernemingen en de zijne bij de uitvoering van de maatregelen inzake het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk te verzekeren.
    De werkgevers van de ondernemingen van buitenaf zijn ertoe gehouden:
    • 1° aan de werkgever bij wie hun werknemers werkzaamheden zullen uitvoeren de nodige informatie te verstrekken over de risico's eigen aan die werkzaamheden;
    • 2° hun medewerking te verlenen aan de coördinatie en samenwerking bedoeld in het eerste lid, 3°.
      De Koning bepaalt, rekening houdend met de risicograad en de omvang van de onderneming, op welke wijze de in dit artikel bedoelde informatie wordt verstrekt.
      De Koning kan de nadere regels betreffende de coördinatie en samenwerking vaststellen. Hij kan tevens bepalen onder welke voorwaarden en volgens welke nadere regels de in het eerste lid bedoelde werkgevers zelf de werknemers van de ondernemingen van buitenaf informeren of opleiden.
Art. 9. 

De werkgever in wiens inrichting werknemers van ondernemingen van buitenaf werkzaamheden komen uitvoeren, is er toe gehouden:

  • 1° deze onderneming te weren waarvan hij kan weten dat de werkgever de verplichtingen opgelegd door deze wet en zijn uitvoeringsbesluiten ten aanzien van zijn werknemers niet naleeft;
  • 2° met de werkgever van de onderneming van buitenaf een overeenkomst te sluiten waarin inzonderheid de volgende bedingen zijn opgenomen:
    • a) de werkgever van de onderneming van buitenaf verbindt er zich toe zijn verplichtingen inzake het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk die eigen zijn aan de inrichting waarin zijn werknemers werkzaamheden komen uitvoeren na te leven;
    • b) indien de werkgever van de onderneming van buitenaf zijn onder a) bedoelde verplichtingen niet of gebrekkig naleeft, kan de werkgever in wiens inrichting de werkzaamheden worden uitgevoerd zelf de nodige maatregelen treffen, in de bij de overeenkomst bepaalde gevallen, op kosten van de werkgever van de onderneming van buitenaf;
  • 3° zelf, na ingebrekestelling van de werkgever van de onderneming van buitenaf, de nodige maatregelen in verband met het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk eigen aan zijn inrichting te treffen, indien de werkgever van de onderneming van buitenaf deze maatregelen niet neemt of zijn verplichtingen gebrekkig naleeft.
    In afwijking van de bepalingen van het eerste lid, 2°, b), kan de werkgever van de onderneming van buitenaf met de werkgever in wiens inrichting zijn werknemers werkzaamheden komen uitvoeren overeenkomen dat deze laatste in naam en voor rekening van de werkgever van de onderneming van buitenaf zorgt voor de naleving van de maatregelen inzake het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk eigen aan de inrichting.
    De Koning kan de verplichtingen van de werkgevers van ondernemingen van buitenaf en van de werkgevers in wier inrichting werknemers van die ondernemingen van buitenaf werkzaamheden komen uitvoeren nader bepalen. Hij kan eveneens bepalen welke verplichtingen in verband met het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk moeten beschouwd worden als eigen aan de inrichting waarin de werknemers van ondernemingen van buitenaf werkzaamheden komen uitvoeren.
Art. 10.

Wanneer een werkgever in zijn inrichting werkzaamheden doet of laat uitvoeren door een zelfstandige is hij ertoe gehouden:

  • 1° de zelfstandige te weren van wie hij kan weten dat hij bij de uitoefening van zijn werkzaamheden geen rekening houdt met de maatregelen in verband met het <welzijn> van de werknemers bij de uitvoering van <het> <werk>;
  • 2° de zelfstandige de nodige informatie te verstrekken met betrekking tot de risico's en de maatregelen inzake het <welzijn> van de werknemers bij de uitvoering van <het> <werk> van toepassing in zijn inrichting;
  • 3° met de zelfstandige een overeenkomst te sluiten waarin inzonderheid de volgende bedingen zijn opgenomen:
    • a) de zelfstandige verbindt er zich toe zijn verplichtingen inzake het <welzijn> van de werknemers bij de uitvoering van <het> <werk> eigen aan de inrichting waarin hij werkzaamheden komt uitvoeren na te leven;
    • b) indien de zelfstandige zijn onder a) bedoelde verplichtingen niet of gebrekkig naleeft, kan de werkgever in wiens inrichting de werkzaamheden worden uitgevoerd zelf de nodige maatregelen treffen, in de bij de overeenkomst bepaalde gevallen, op kosten van de zelfstandige;
  • 4° zelf, na ingebrekestelling van de zelfstandige, de nodige maatregelen in verband met het <welzijn> van de werknemers bij de uitvoering van <het> <werk> eigen aan zijn inrichting te treffen, indien de zelfstandige deze maatregelen niet of gebrekkig naleeft;
  • 5° het optreden van de zelfstandigen te coördineren en de samenwerking tussen deze zelfstandigen en zijn onderneming bij de uitvoering van de maatregelen inzake het <welzijn> van de werknemers bij de uitvoering van <het> <werk> te verzekeren.
Art. 11. 

De zelfstandige die in de inrichting van een werkgever werkzaamheden uitvoert is er toe gehouden:

  • 1° aan deze werkgever informatie te verstrekken over de risico's eigen aan die werkzaamheden;
  • 2° de verplichtingen inzake het <welzijn> van de werknemers bij de uitvoering van <het> <werk> eigen aan de inrichting waarin hij werkzaamheden komt uitvoeren na te leven;
  • 3° zijn medewerking te verlenen aan de coördinatie en de samenwerking bedoeld in artikel 10, 5°.
Art. 12. 

§ 1. De Koning bepaalt, rekening houdend met de risicograad en de omvang van de onderneming op welke wijze de in de artikelen 10 en 11 bedoelde informatie wordt verstrekt.
§ 2. De Koning kan:

  • 1° de nadere regelen betreffende de coördinatie en de samenwerking bedoeld in de artikelen 10 en 11 bepalen;
  • 2° bepalen welke verplichtingen inzake het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk eigen zijn aan de inrichting waarin de zelfstandige werkzaamheden komt uitvoeren;
  • 3° de verplichtingen van de werkgevers in wier inrichting zelfstandigen werkzaamheden komen uitvoeren en de verplichtingen van deze zelfstandigen nader bepalen.

§ 3. De besluiten bedoeld in dit artikel worden genomen na advies van de minister tot wiens bevoegdheid de middenstand behoort.

Art. 13. 

De bepalingen van hoofdstuk IV zijn niet van toepassing op de tijdelijke of mobiele bouwplaatsen bedoeld in hoofdstuk V.

HOOFDSTUK V. - Bijzondere bepalingen betreffende tijdelijke of mobiele bouwplaatsen.

Afdeling 1. - Inleidende bepalingen.

Art. 14. 

Zijn betrokken bij de verplichtingen in verband met de werkzaamheden op tijdelijke of mobiele bouwplaatsen:

  • 1° de opdrachtgever;
  • 2° de bouwdirectie belast met het ontwerp en de personen aan wie zij bepaalde opdrachten in onderaanneming heeft toevertrouwd;
  • 3° de bouwdirectie belast met de uitvoering;
  • 4° de bouwdirectie belast met de controle op de uitvoering en de personen aan wie zij bepaalde opdrachten in onderaanneming heeft toevertrouwd;
  • 5° de aannemer;
  • 6° de coördinator inzake veiligheid en gezondheid tijdens de uitwerkingsfase van het ontwerp van het bouwwerk;
  • 7° de coördinator inzake veiligheid en gezondheid tijdens de verwezenlijking van het bouwwerk;
  • 8° de werknemer.

Wanneer de opdrachten van de bouwdirectie belast met het ontwerp of van de bouwdirectie belast met de controle op de uitvoering geheel of gedeeltelijk worden uitgeoefend door een architect, bedoeld bij de wet van 20 februari 1939 op de bescherming van de titel en van het beroep van architect, is deze architect ertoe gehouden de verplichtingen die krachtens deze wet en zijn uitvoeringsbesluiten worden opgelegd aan deze bouwdirecties na te leven.

Art. 15. 

De personen die met toepassing van dit hoofdstuk op enigerlei wijze betrokken zijn bij de verplichtingen in verband met werkzaamheden op een tijdelijke of mobiele bouwplaats passen de algemene preventiebeginselen bedoeld in artikel 5 toe.

Afdeling 2. - Het ontwerp van het bouwwerk.

Art. 16. 

De opdrachtgever of de bouwdirectie belast met het ontwerp:

stelt een coördinator inzake veiligheid en gezondheid tijdens de uitwerkingsfase van het ontwerp van het bouwwerk aan voor een bouwplaats waarop verscheidene aannemers werkzaam zullen zijn;

ziet er op toe dat er voor de opening van de bouwplaats, een veiligheids- en gezondheidsplan wordt opgesteld.

Art. 17. 

In de ontwerp-, studie- en uitwerkingsfasen van het ontwerp van het bouwwerk neemt de bouwdirectie belast met het ontwerp of zijn onderaannemer, en in voorkomend geval, de opdrachtgever de algemene preventiebeginselen bedoeld in de artikelen 5 en 15 in acht bij de bouwkundige, technische of organisatorische keuzen, in verband met de planning van de verschillende werken of werkfasen die tegelijkertijd of na elkaar plaatsvinden evenals bij de raming van de duur van de verwezenlijking van deze verschillende werken of werkfasen.

Art. 18. 

De coördinator inzake veiligheid en gezondheid tijdens de uitwerkingsfase van het ontwerp van het bouwwerk heeft inzonderheid als opdracht:

  • 1° de uitvoering van de bepalingen van artikel 17 te coördineren;
  • 2° een veiligheids- en gezondheidsplan op te stellen of te laten opstellen, waarin de op de betrokken bouwplaats toepasselijke regels worden vermeld, eventueel rekening houdend met de exploitatiewerkzaamheden op de bouwplaats en waarin voorts specifieke maatregelen voorkomen met betrekking tot de werkzaamheden die behoren tot de door de Koning bepaalde categorieën;
  • 3° een dossier samen te stellen dat is aangepast aan de kenmerken van het bouwwerk en waarin de voor de veiligheid en de gezondheid nuttige gegevens worden vermeld, waarmee bij eventuele latere werkzaamheden rekening moet worden gehouden.
Art. 19. 

§ 1. De Koning bepaalt:

  • 1° de voorwaarden en de nadere regels voor de toepassing van artikel 16;
  • 2° in welke gevallen, rekening houdend met de omvang van het bouwwerk en met de risicograad, een veiligheids- en gezondheidsplan wordt opgesteld evenals de inhoud ervan en de specifieke toepassingsmaatregelen;
  • 3° in welke gevallen de verplichtingen bedoeld in de artikelen 16 en 17 rusten op de opdrachtgever en in welke gevallen zij rusten op de bouwdirectie belast met het ontwerp;
  • 4° de voorwaarden waaraan de coördinatoren inzake veiligheid en gezondheid tijdens de uitwerkingsfase van het ontwerp van het bouwwerk moeten voldoen om hun functie uit te oefenen, evenals hun bevoegdheden en de middelen waarover ze moeten kunnen beschikken;
  • 5° de nadere verplichtingen in verband met de uitwerkingsfase van het ontwerp van het bouwwerk die voortvloeien uit de richtlijnen die door de Europese Unie zijn vastgesteld, van de opdrachtgever, de bouwdirectie belast met het ontwerp en haar onderaannemer en de coördinator inzake veiligheid en gezondheid tijdens de uitwerkingsfase van het ontwerp van het bouwwerk.

§ 2. De besluiten bedoeld in dit artikel worden genomen na advies van de minister tot wiens bevoegdheid de middenstand behoort, wanneer zij betrekking hebben op het beroep en de verantwoordelijkheden van de architect.


Afdeling 3. - De verwezenlijking van het bouwwerk.

Art. 20. 

De opdrachtgever, de bouwdirectie belast met de uitvoering of de bouwdirectie belast met de controle op de uitvoering organiseert de coördinatie van de werkzaamheden van de verschillende aannemers en, in voorkomend geval, van de andere betrokkenen, evenals de samenwerking tussen deze verschillende aannemers, en in voorkomend geval, van de andere betrokkenen met het oog op de veiligheid en gezondheid op de bouwplaats wanneer:

  • 1° zij zich gelijktijdig op de bouwplaats bevinden;
  • 2° zij elkaar op de bouwplaats opvolgen.

De aannemers en, in voorkomend geval, de andere betrokkenen zijn er toe gehouden hun medewerking te verlenen aan deze coördinatie en samenwerking.

Art. 21. 

De opdrachtgever, de bouwdirectie belast met de uitvoering of de bouwdirectie belast met de controle op de uitvoering:

  • 1° stelt een coördinator inzake veiligheid en gezondheid tijdens de verwezenlijking van het bouwwerk aan, voor een bouwplaats waarop verscheidene aannemers werkzaam zullen zijn;
  • 2° doet aan de door de Koning aangeduide overheid, voor de aanvang van de werkzaamheden, een voorafgaande kennisgeving voor de opening van de bouwplaats toekomen.
Art. 22. 

De coördinator inzake veiligheid en gezondheid tijdens de verwezenlijking van het bouwwerk heeft inzonderheid als opdracht:

  • 1° de tenuitvoerlegging te coördineren van de algemene beginselen inzake preventie en veiligheid bij de technische of organisatorische keuzen met het oog op de planning van de verschillende werken of werkfasen die tegelijkertijd of na elkaar worden uitgevoerd evenals bij de raming van de duur van de uitvoering van deze verschillende werken of werkfasen;
  • 2° de tenuitvoerlegging te coördineren van de relevante bepalingen om ervoor te zorgen dat de aannemers:
    • a) de algemene preventiebeginselen en de na te leven beginselen tijdens de verwezenlijking van het bouwwerk bedoeld in de artikelen 4, 5 en 15 coherent toepassen;
    • b) het veiligheids- en gezondheidsplan bedoeld in artikel 16, 2° toepassen;
  • 3° de eventuele aanpassingen aan te brengen in het veiligheids- en gezondheidsplan bedoeld in artikel 16, 2°, en het dossier bedoeld in artikel 18, 3° of deze te laten aanbrengen naar gelang van de voortgang van de werken en de eventueel daarin aangebrachte wijzigingen;
  • 4° de samenwerking en de coördinatie te organiseren van de aannemers, ook van die welke elkaar op de bouwplaats opvolgen, met het oog op de bescherming van de werknemers en de preventie van ongevallen en van beroepsmatige gezondheidsrisico's, alsmede de wederzijdse informatie;
  • 5° de controle op de juiste toepassing van de werkprocedures te coördineren;
  • 6° de nodige maatregelen te treffen opdat alleen bevoegde personen de bouwplaats kunnen betreden.
Art. 23. 

De Koning bepaalt:

  • 1° de voorwaarden en de nadere regelen voor de toepassing van de artikelen 20 en 21;
  • 2° in welke gevallen de verplichtingen bedoeld in de artikelen 20 en 21 rusten op de opdrachtgever, in welke gevallen zij rusten op de bouwdirectie belast met de uitvoering van het bouwwerk en in welke gevallen ze rusten op de bouwdirectie belast met de controle op de uitvoering;
  • 3° in welke gevallen, rekening houdend met de omvang van het bouwwerk en de risicograad, de voorafgaande kennisgeving bedoeld in artikel 21, 2°, moet gebeuren, evenals de inhoud ervan;
  • 4° de voorwaarden waaraan de coördinatoren inzake veiligheid en gezondheid tijdens de verwezenlijking van het bouwwerk moeten voldoen om hun functie uit te oefenen, evenals hun bevoegdheden en de middelen waarover zij moeten kunnen beschikken;
  • 5° de nadere verplichtingen in verband met de verwezenlijking van het bouwwerk die voortvloeien uit de richtlijnen die door de Europese Unie zijn vastgesteld van:
    • a) de opdrachtgever;
    • b) de bouwdirectie belast met de uitvoering;
    • c) de bouwdirectie belast met de controle op de uitvoering;
    • d) de onderaannemers van de bouwdirectie belast met de controle op de uitvoering;
    • e) de coördinatoren inzake veiligheid en gezondheid tijdens de verwezenlijking van het bouwwerk;
    • f) de aannemers.
Art. 24. 

De Koning stelt de veiligheids- en gezondheidsmaatregelen vast die moeten worden nageleefd door de aannemers die betrokken zijn bij de verwezenlijking van het bouwwerk.

Art. 25. 

De bouwdirectie belast met de uitvoering is er toe gehouden alle maatregelen vastgesteld ter uitvoering van de artikelen 23, 5° en 24 na te leven en te doen naleven door alle aannemers en onderaannemers die betrokken zijn bij de verwezenlijking van het bouwwerk.

Art. 26. 

Elke aannemer is er toe gehouden alle maatregelen vastgesteld ter uitvoering van de artikelen 23, 5° en 24 na te leven en te doen naleven door iedere persoon die in welk stadium ook als onderaannemer van hemzelf of van een andere onderaannemer is opgetreden evenals door iedere persoon die hem personeel ter beschikking stelt.

Art. 27. 

Elke onderaannemer is er toe gehouden alle maatregelen vastgesteld ter uitvoering van de artikelen 23, 5° en 24 na te leven en te doen naleven door iedere persoon die in welk stadium ook als onderaannemer van hemzelf is opgetreden evenals door iedere persoon die hem personeel ter beschikking stelt.

Art. 28. 

Indien de bouwdirectie belast met de uitvoering, de aannemer of de onderaannemer voor de uitvoering van bepaalde werkzaamheden een beroep doen op zelfstandigen, zien zij erop toe dat deze zelfstandigen alle maatregelen vastgesteld ter uitvoering van de artikelen 23, 5° en 24 naleven.
De zelfstandigen zijn ertoe gehouden mee te werken aan de toepassing van de krachtens de artikelen 23, 5° en 24 vastgestelde maatregelen.

Art. 29. 

Met het oog op de toepassing van de bepalingen van de artikelen 25, 26, 27 en 28 hebben, naargelang van het geval, de bouwdirectie belast met de uitvoering, de aannemer of de onderaannemer inzonderheid de volgende verplichtingen:

  • 1° de aannemer, onderaannemer of zelfstandige te weren van wie zij kunnen weten dat hij de verplichtingen opgelegd door deze wet en de uitvoeringsbesluiten ervan niet naleeft;
  • 2° met de aannemer, onderaannemer of zelfstandige een overeenkomst te sluiten waarin inzonderheid de volgende bedingen zijn opgenomen:
    • a) de aannemer, de onderaannemer of de zelfstandige verbindt er zich toe zijn verplichtingen inzake veiligheid en gezondheid op tijdelijke of mobiele bouwplaatsen na te leven;
    • b) indien de aannemer, de onderaannemer of de zelfstandige zijn onder a) bedoelde verplichtingen niet of gebrekkig nakomt, kan de bouwdirectie belast met de uitvoering of de aannemer zelf de nodige maatregelen inzake veiligheid en gezondheid op tijdelijke of mobiele bouwplaatsen treffen, in de bij de overeenkomst bepaalde gevallen, op kosten van de persoon die in gebreke is gebleven;
  • 3° ingeval de aannemer, de onderaannemer of de zelfstandige de verplichtingen inzake veiligheid en gezondheid op tijdelijke of mobiele bouwplaatsen niet of gebrekkig naleeft, na ingebrekestelling van deze aannemer, onderaannemer of zelfstandige, zelf de nodige maatregelen te nemen.
Art. 30. 

De bepalingen van de artikelen 25 tot 29 zijn niet van toepassing wanneer artikel 12 van de wet van 24 december 1993 betreffende de overheidsopdrachten en sommige opdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten of artikel 8 van de wet van 14 juli 1976 betreffende de overheidsopdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten van toepassing is.

Art. 31. 

De werkgever is er toe gehouden alle maatregelen vastgesteld ter uitvoering van de artikelen 23,5° en 24 na te leven en te doen naleven door zijn werknemers.

Art. 32. 

De Koning bepaalt vanaf welke omvang van de bouwplaats, een coördinatiestructuur op de bouwplaats wordt opgericht.
Hij bepaalt eveneens, rekening houdend met de omvang van de bouwplaats en de risicograad, de voorwaarden en de nadere regelen betreffende de instelling van deze coördinatiestructuur op de bouwplaats.

HOOFDSTUK VI. - Preventie- en beschermingsdiensten.

Afdeling 1. - Algemene bepalingen.

Art. 33. 

§ 1. Elke werkgever is verplicht een Interne Dienst voor Preventie en Bescherming op het werk op te richten.
Daartoe beschikt iedere werkgever over tenminste één preventieadviseur.
In de ondernemingen met minder dan twintig werknemers mag de werkgever zelf de functie van preventieadviseur vervullen.
Deze dienst staat de werkgever en de werknemers bij in de toepassing van de in de artikelen 4 tot 32 bedoelde maatregelen, die betrekking hebben op het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk.

§ 2. Indien de in § 1 bedoelde interne dienst niet alle opdrachten die hem krachtens deze wet en de uitvoeringsbesluiten zijn toevertrouwd zelf kan uitvoeren, moet de werkgever aanvullend een beroep doen op een erkende externe dienst voor preventie en bescherming op het werk.

§ 3. De Koning bepaalt de nadere regelen betreffende de werking, de vereiste bekwaamheden en de opdrachten van de Interne Dienst voor Preventie en Bescherming op het werk.


Afdeling 2. - Specifieke bepalingen betreffende de Interne Dienst voor Preventie en Bescherming op het werk.

Art. 34. 

Voor de toepassing van deze afdeling worden de technische bedrijfseenheid en de juridische entiteit bepaald overeenkomstig de artikelen 49 en 50.

Art. 35.

§ 1. Indien de juridische entiteit bestaat uit één technische bedrijfseenheid wordt één Dienst opgericht.

§ 2. Indien de juridische entiteit bestaat uit meerdere technische bedrijfseenheden die elk te weinig werknemers tewerkstellen om aparte Comités op te richten, wordt er één Dienst opgericht.

§ 3. Indien de juridische entiteit bestaat uit meerdere technische bedrijfseenheden en indien er meer dan één Comité moet worden opgericht, wordt er één Dienst opgericht met een afdeling voor elk onderdeel van de onderneming waarvoor een Comité moet opgericht worden.

§ 4. Indien de technische bedrijfseenheid gevormd wordt door meer dan één juridische entiteit, wordt er voor de technische bedrijfseenheid in haar geheel slechts één Dienst opgericht.

Art. 36. 

§ 1. In de overheidsdiensten die onderworpen zijn aan de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel wordt één Dienst opgericht voor elk gebied van een hoog overlegcomité.
Indien evenwel onder het gebied van één hoog overlegcomité verschillende ministeries of publiekrechtelijke rechtspersonen vallen, wordt voor elk ministerie of voor elke publiekrechtelijke rechtspersoon een Dienst opgericht.
Ingeval er ten minste vijftig personeelsleden tewerkgesteld zijn in de overheidsdiensten die het gebied van een basisoverlegcomité vormen, kan de in het eerste lid bedoelde dienst uit afdelingen bestaan per basisoverlegcomité.

§ 2. In de overheidsdiensten die niet onderworpen zijn aan de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel maar waarop wettelijke of reglementaire bepalingen van toepassing zijn die hun syndicaal statuut vaststellen en die in maatregelen betreffende overleg inzake veiligheid, gezondheid en verfraaiing van de werkplaatsen voorzien, wordt voor elke overheidsdienst één interne dienst opgericht.
Deze dienst kan bestaan uit afdelingen, wanneer meerdere organen zijn opgericht die bevoegd zijn voor overleg inzake veiligheid en gezondheid, op voorwaarde dat elk orgaan ten minste vijftig personen betreft.

§ 3. In afwijking van dit artikel, is artikel 35 van toepassing op de overheidsdiensten waarvan het personeel niet onderworpen is aan wettelijke of reglementaire bepalingen die hun syndicaal statuut vaststellen en die niet in maatregelen betreffende overleg inzake veiligheid, gezondheid en verfraaiing van de werkplaatsen voorzien.

Art. 37. 

De Dienst telt één of meer preventieadviseurs. Is er in de Dienst meer dan één preventieadviseur, dan wordt één van hen belast met de leiding van de Dienst. Indien de Dienst uit afdelingen bestaat, overeenkomstig artikel 35, § 3, of artikel 36, § 1, derde lid, en § 2, tweede lid, dan wordt voor de Dienst als geheel en per afdeling minstens één preventieadviseur aangesteld. Is er in een afdeling meer dan één preventieadviseur dan wordt één van hen belast met de leiding van de afdeling.

Art. 38. 

<W 1998-02-13/32, art. 52, 002; Inwerkingtreding: 01-03-1998> 

§ 1. De Koning kan de voorwaarden en de nadere regelen bepalen volgens welke een werkgever of een groep van werkgevers toegestaan kan worden een gemeenschappelijke Dienst voor Preventie en Bescherming op het werk op te richten.

§ 2. De Koning kan een werkgever of een groep van werkgevers machtigen een gemeenschappelijke Dienst op te richten. In voorkomend geval bepaalt Hij de bevoegdheid, de samenstelling en de werkwijze ervan.

Art. 39. 

De Koning bepaalt de voorwaarden waaraan de personen die de functie van preventieadviseur uitoefenen, moeten voldoen.
De voorwaarden met betrekking tot de werkgevers die met toepassing van artikel 33, § 1, derde lid, zelf de functie van preventieadviseur vervullen, kunnen slechts worden vastgesteld, na advies van de minister tot wiens bevoegdheid de middenstand behoort.

Afdeling 3. - Specifieke bepalingen betreffende de externe Diensten voor Preventie en Bescherming op het werk en hun afdelingen belast met het medisch toezicht van de werknemers alsook de externe diensten voor technische controles op de werkplaats

Art. 40. 

§ 1. Er worden externe Diensten voor Preventie en Bescherming op het werk opgericht. Deze diensten beschikken over één of meerdere preventieadviseurs.
Binnen de externe diensten voor Preventie en Bescherming op het werk worden afzonderlijke afdelingen opgericht, die belast zijn met het medisch toezicht op de werknemers.

§ 2. Er worden eveneens externe Diensten voor technische controles op de werkplaats opgericht.

§ 3. De Koning bepaalt de voorwaarden waaronder en de nadere regelen volgens welke een externe Dienst zoals bedoeld in de §§ 1 en 2 kan worden erkend.
Hij stelt tevens de regelen betreffende zijn organisatie, zijn opdrachten en zijn juridisch statuut vast evenals deze betreffende de bekwaamheden van de preventieadviseurs.
De afdelingen belast met het medisch toezicht op de werknemers voeren een aparte boekhouding en maken verslagen op van hun activiteiten inzake medisch toezicht en hun preventie-opdrachten, werken onder het gezag van een arbeidsgeneesheer-directeur en kunnen door de Gemeenschappen worden erkend.

Afdeling 4. - Coördinatie in het kader van de Diensten voor Preventie en Bescherming op het werk.

Art. 41. 

De Koning stelt de maatregelen vast om de samenwerking te bevorderen tussen:

  • 1° de verschillende afdelingen waaruit de interne of de externe dienst bestaat;
  • 2° de interne dienst en de externe dienst;
  • 3° de externe diensten onderling.

In ieder geval moet deze samenwerking leiden tot een gezamenlijk optreden van de verschillende diensten dat erop gericht is in de ondernemingen de preventie te bevorderen.

Afdeling 5. - Gemeenschappelijke bepalingen.

Art. 42. 

De preventieadviseurs van een interne Dienst voor Preventie en Bescherming op het werk behoren tot het personeel van de werkgever, behalve in het geval bedoeld in artikel 33, § 1, derde lid.
De externe Dienst voor Preventie en Bescherming op het werk moet een contractuele relatie met de preventieadviseur waarop zij een beroep doet op zodanige wijze vaststellen dat zij voldoende garanties biedt om tot een duurzame samenwerking te komen tussen de werkgever en de preventieadviseur.

Art. 43. 

De preventieadviseurs vervullen hun opdracht in volledige onafhankelijkheid ten opzichte van de werkgever en de werknemers.
Zij mogen geen nadeel ondervinden van hun activiteiten als preventieadviseur.

HOOFDSTUK VII. - De Hoge Raad voor Preventie en Bescherming op het werk.

Art. 44. 

Een Hoge Raad wordt opgericht bij het Ministerie van Tewerkstelling en Arbeid.
De Hoge Raad is samengesteld uit:

  • 1° een voorzitter en een ondervoorzitter;
  • 2° een gelijk aantal vertegenwoordigers van de werkgevers- en werknemersorganisaties. Hun aantal wordt vastgesteld door de Koning;
  • 3° één of meer secretarissen.

Enkel de vertegenwoordigers van de werkgevers- en de werknemersorganisaties hebben stemrecht.
(De meest representatieve werkgevers- en werknemersorganisaties zijn in de Hoge Raad vertegenwoordigd op dezelfde wijze als in de Nationale Arbeidsraad.) <W 1998-02-13/32, art. 51, 002; Inwerkingtreding: 01-03-1998>
Onder de leden die de werkgeversorganisaties vertegenwoordigen, zijn de kleine ondernemingen alsmede de gezinsondernemingen vertegenwoordigd, op dezelfde wijze als in de Nationale Arbeidsraad.
De Koning bepaalt welke andere personen als permanente of tijdelijke deskundigen deelnemen aan de werkzaamheden van de Hoge Raad.

Art. 45. 

§ 1. De vertegenwoordigers van de werkgevers- en werknemersorganisaties, de secretarissen en de personen die als permanente deskundigen deelnemen aan de werkzaamheden van de Hoge Raad, worden benoemd door de Koning op de wijze die Hij bepaalt.

§ 2. De voorzitter moet:

  • 1° Belg zijn;
  • ten minste 30 jaar oud zijn;
  • 3° onafhankelijk staan tegenover de organisaties die in de Hoge Raad vertegenwoordigd zijn;
  • 4° niet onder het hiërarchisch gezag van een minister staan.
    Het mandaat van de voorzitter duurt zes jaar. Het kan hernieuwd worden.
    De voorzitter en de ondervoorzitter worden benoemd door de Koning die hun statuut bepaalt.
Art. 46. 

De Hoge Raad heeft als taak op eigen initiatief of op aanvraag advies te verstrekken over de in deze wet bedoelde maatregelen.
De bevoegdheden die krachtens deze wet in verband met het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk, zoals bepaald door artikel 4, aan de Hoge Raad zijn toegekend, doen geen afbreuk aan de bevoegdheden van de Nationale Arbeidsraad in verband met de algemene arbeidsvoorwaarden.

Art. 47. 

De Koning bepaalt alle andere voorwaarden en nadere regelen betreffende de oprichting, de samenstelling en de werking van de Hoge Raad.

HOOFDSTUK VIII. - Het Comité voor Preventie en Bescherming op het werk.

Afdeling 1. - Toepassingsgebied.

Art. 48. 

De bepalingen van dit hoofdstuk zijn niet toepasselijk op de inrichtingen en instellingen waarvan het personeel onderworpen is aan wettelijke of reglementaire bepalingen die hun syndicaal statuut vaststellen en die in maatregelen betreffende overleg inzake veiligheid, gezondheid en verfraaiing van de werkplaatsen voorzien.

Afdeling 2. - Oprichting.

Art. 49. 

Comités worden ingesteld in al de ondernemingen die gewoonlijk gemiddeld ten minste 50 werknemers tewerkstellen. In de mijnen, graverijen en ondergrondse groeven worden deze Comités ingesteld, zodra zij gewoonlijk gemiddeld 20 werknemers tewerkstellen.
Onverminderd de bepalingen van artikel 69, dient voor de toepassing van deze afdeling te worden verstaan onder:

  • 1° onderneming: de technische bedrijfseenheid, bepaald op grond van de economische en sociale criteria; in geval van twijfel primeren de sociale criteria;
  • 2° werknemers: de personen die tewerkgesteld zijn krachtens een arbeidsovereenkomst of een leerovereenkomst. (de Koning kan in de gevallen die Hij bepaalt, bepaalde categorieën van personen die, zonder verbonden te zijn door een arbeids- of een leerovereenkomst, arbeidsprestaties leveren onder het gezag van een andere persoon, met werknemers gelijkstellen;) <W 1999-03-05/32, art. 15, 1°, 004; Inwerkingtreding: 28-03-1999>

De Koning schrijft een procedure voor die moet worden gevolgd om het begrip technische bedrijfseenheid paritair te bepalen.
(Om het aantal werknemers, bedoeld in deze afdeling, vast te stellen, kan de Koning bepaalde categorieën van werknemers die tijdelijk werknemers van de onderneming vervangen, uitsluiten.) <W 1999-03-05/32, art. 15, 2°, 004; Inwerkingtreding: 28-03-1999>

Art. 50. 

§ 1. De onderneming is er ook toe verplicht een Comité op te richten wanneer ze als juridische entiteit ten minste 50 werknemers tewerkstelt, welke ook het aantal werknemers is tewerkgesteld in ieder van de zetels.
Voor de toepassing van het eerste lid worden in de mijnen, graverijen en ondergrondse groeven ten minste 20 werknemers in aanmerking genomen.

§ 2. De Koning kan alle maatregelen treffen om voor alle werknemers van de betrokken technische bedrijfseenheden de deelneming aan de verkiezingen en de werking van de Comités te waarborgen.


§ 3. (Meerdere juridische entiteiten worden vermoed, tot het tegendeel wordt bewezen, een technische bedrijfseenheid te vormen, indien het bewijs kan worden geleverd:

  • (1) dat ofwel deze juridische entiteiten deel uitmaken van eenzelfde economische groep of beheerd worden door eenzelfde persoon of door personen die onderling een economische band hebben,
    ofwel
    dat deze juridische entiteiten éénzelfde activiteit hebben of activiteiten die op elkaar afgestemd zijn;
  • (2) en dat er elementen bestaan die wijzen op een sociale samenhang tussen deze juridische entiteiten, zoals met name een gemeenschap van mensen verzameld in dezelfde gebouwen of in nabije gebouwen, een gemeenschappelijk personeelsbeheer, een gemeenschappelijk personeelsbeleid, een arbeidsreglement of collectieve arbeidsovereenkomsten die gemeenschappelijk zijn of die gelijkaardige bepalingen bevatten.

Wanneer het bewijs wordt geleverd van één van de voorwaarden bedoeld in (1) en het bewijs van bepaalde elementen bedoeld in (2), zullen de betrokken juridische entiteiten beschouwd worden als vormend een enkele technische bedrijfseenheid behalve indien de werkgever(s) het bewijs levert(en) dat het personeelsbeheer en -beleid geen sociale criteria aan het licht brengen, kenmerkend voor het bestaan van een technische bedrijfseenheid in de zin van artikel 49.
Dat vermoeden mag geen weerslag hebben op de continuïteit, de werking en de bevoegdheidssfeer van de nu bestaande organen.) <W 1999-03-05/32, art. 16, 004; Inwerkingtreding: 28-03-1999>

Art. 51. 

De Koning kan, bij een in Ministerraad overlegd besluit, de verplichting om een Comité op te richten uitbreiden tot de werkgevers die gewoonlijk gemiddeld minder dan 50 werknemers tewerkstellen. Hij bepaalt de bevoegdheid van voornoemde Comités en regelt er de werkingsmodaliteiten van.


Art. 51bis. 

<Ingevoegd bij W 1999-03-05/32, art. 17; Inwerkingtreding: 28-03-1999> De berekening van het gemiddeld aantal gewoonlijk tewerkgestelde werknemers, bedoeld in de artikelen 49, 50 en 51, wordt uitgevoerd op basis van een door de Koning vastgestelde referentieperiode; in geval van overgang van onderneming krachtens overeenkomst, in de zin van afdeling 6 van dit hoofdstuk, tijdens deze referentieperiode, wordt er enkel rekening gehouden met het deel van de referentieperiode na de overgang krachtens overeenkomst.

Art. 52. 

Wanneer in de onderneming geen Comité is opgericht, is de vakbondsafvaardiging ermee belast de opdrachten van de Comités uit te oefenen.
In dat geval genieten de leden van de vakbondsafvaardiging, onverminderd de bepalingen van de collectieve arbeidsovereenkomsten die voor hen gelden, dezelfde bescherming als de personeelsafgevaardigden in de Comités, zoals die wordt bepaald in de wet van 19 maart 1991 houdende bijzondere ontslagregeling voor de personeelsafgevaardigden in de ondernemingsraden en in de comités voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing van de werkplaatsen alsmede voor de kandidaat-personeelsafgevaardigden. Deze bescherming vangt aan op de datum van het begin van hun opdracht en eindigt op de datum waarop de bij de volgende verkiezingen verkozen kandidaten worden aangesteld als lid van het Comité.

Art. 53. 

In de ondernemingen waar noch een Comité, noch een vakbondsafvaardiging bestaat, nemen de werknemers zelf rechtstreeks deel aan de behandeling van vraagstukken die betrekking hebben op het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk.
De Koning bepaalt, bij een in Ministerraad overlegd besluit, op welke wijze deze deelneming gebeurt.

Art. 54. 

De Koning kan aan een groep van werkgevers toestaan een gemeenschappelijk Comité op te richten. Hij bepaalt de bevoegdheid en regelt de werkingsmodaliteiten ervan.
Dat Comité is paritair samengesteld uit gewone en plaatsvervangende afgevaardigden, die de werkgevers en de werknemers, volgens de door de Koning bepaalde modaliteiten, vertegenwoordigen.

Art. 55. 

In de ondernemingen waar een Comité moet worden opgericht of vernieuwd, kan de oprichting of de vernieuwing van het Comité worden opgeschort met de voorafgaande toestemming van de inspecteur-districtshoofd van de inspectie der sociale wetten binnen wiens ambtsgebied de onderneming gevestigd is:

  • a) wanneer de onderneming besloten heeft al haar activiteiten definitief stop te zetten;
  • b) bij de gedeeltelijke sluiting, door de stopzetting van één of meer activiteiten, voor zover het aantal tewerkgestelde werknemers lager wordt dan 50 of het door de Koning krachtens artikel 51 bepaalde aantal.
    De inspecteur-districtshoofd vraagt de instemming van het Comité; zo dit nog niet is opgericht, vraagt hij de instemming van de werkgever en van de vakbondsafvaardiging.
    Het uitstel mag in geen geval één jaar overschrijden. Het bestaande Comité blijft gedurende die periode fungeren.
    De personeelsafgevaardigden en de kandidaten blijven gedurende dezelfde periode de bescherming genieten, verleend door voornoemde wet van 19 maart 1991.
    De Koning stelt eventueel de datum van de verkiezingen vast.

Afdeling 3. - Samenstelling.

Art. 56. 

De Comités zijn samengesteld uit: 

  • 1. het ondernemingshoofd en één of meerdere door hem, overeenkomstig de door de Koning vastgelegde bepalingen, aangewezen gewone en plaatsvervangende afgevaardigden, die bevoegd zijn om hem te vertegenwoordigen en te verbinden op grond van de leidinggevende functies die zij in de onderneming vervullen. Deze afgevaardigden mogen niet talrijker zijn dan de personeelsafgevaardigden.
    De mandaten van de afgevaardigden van de werkgever gelden voor vier jaar, op voorwaarde dat zij de vermelde leidinggevende functies niet verliezen gedurende die periode; zij blijven in functie tot de datum van installatie van de kandidaten die bij de volgende verkiezingen door de werknemers worden verkozen;
  • 2. een zeker aantal gewone en plaatsvervangende afgevaardigden van het personeel. Het aantal wordt bepaald door de Koning. Het aantal gewone afgevaardigden mag niet lager zijn dan twee.
Art. 57. 

<W 1999-03-05/32, art. 18, 004; Inwerkingtreding: 28-03-1999> De preventieadviseur die deel uitmaakt van het personeel van de onderneming waar hij zijn functie uitoefent kan noch werkgevers-, noch personeelsafgevaardigde zijn.


Art. 58. 

(De gewone en plaatsvervangende afgevaardigden worden bij geheime stemming verkozen op door de interprofessionele representatieve werknemersorganisaties bedoeld in artikel 3, § 2, 1°, voorgedragen kandidatenlijsten waarvan elke lijst niet meer kandidaten mag bevatten dan er gewone en plaatsvervangende mandaten te begeven zijn.) <W 1999-03-05/32, art. 19, 004; Inwerkingtreding: 28-03-1999>
De Koning bepaalt de voorwaarden van kiesrecht, alsmede de verkiezingsprocedure.
De verkiezingen voor de Comités worden om de vier jaar gehouden.
De Koning stelt de periode vast waarin die verkiezingen zullen plaats hebben, alsmede de verplichtingen van de werkgevers op dit vlak.
Wanneer een onderneming tussen twee van deze periodes het gemiddelde aantal tewerkgestelde werknemers bereikt, zoals bepaald bij artikel 49 of krachtens artikel 51, moeten de verkiezingen slechts worden gehouden in de loop van de eerstvolgende periode vastgesteld door de Koning en voor zover de onderneming op dat ogenblik nog steeds gemiddeld het vereiste aantal werknemers tewerkstelt.

Art. 59. 

§ 1. Om als personeelsafgevaardigde bij de Comités verkiesbaar te zijn, moeten de werknemers op de datum van de verkiezingen aan de volgende voorwaarden voldoen:

  • ten minste 18 jaar oud zijn. De afgevaardigden van de jonge werknemers moeten evenwel ten minste 16 jaar oud zijn en mogen de leeftijd van 25 jaar niet hebben bereikt;
  • 2° geen deel uitmaken van het leidinggevend personeel (...); de Koning bepaalt wat onder " leidinggevend personeel " moet worden verstaan; <W 1999-03-05/32, art. 20, 004; Inwerkingtreding: 28-03-1999>
  • 3° ofwel minstens zes maanden ononderbroken tewerkgesteld zijn in de juridische entiteit waar de onderneming toe behoort of in de technische bedrijfseenheid, gevormd door verschillende juridische entiteiten in de zin van artikel 50;
    ofwel tewerkgesteld geweest zijn in een juridische entiteit waartoe de onderneming behoort of in de technische bedrijfseenheid, gevormd door verschillende juridische entiteiten in de zin van artikel 50 in het jaar dat voorafgaat aan dit waarin de verkiezingen plaatsvinden, gedurende in totaal minstens negen maanden tijdens verscheidene periodes; voor de berekening van deze periode van negen maanden, wordt rekening gehouden met alle periodes gedurende welke de werknemer tewerkgesteld is geweest, hetzij krachtens een arbeids- of een leerovereenkomst, hetzij onder gelijkaardige voorwaarden als bedoeld in artikel 49, vierde lid.;
  • 4° de leeftijd van vijfenzestig jaar niet hebben bereikt.

De oorzaken van schorsing van de uitvoering van de overeenkomst hebben geen invloed op de anciënniteitsvoorwaarden.


§ 2. Het is verboden eenzelfde kandidatuur op meer dan één lijst voor te dragen.

§ 3. De werknemer die in strijd met de bepalingen van de wet van 19 maart 1991 werd ontslagen, mag als kandidaat worden voorgedragen.

§ 4. De werknemers die onderdanen zijn van een land dat geen lid is van de Europese Unie, moeten in België tewerkgesteld zijn overeenkomstig de wetgeving betreffende de tewerkstelling van vreemde werknemers.

Art. 60. 

De Koning bepaalt welke termijn moet verlopen tussen de aanplakking van de datum van de verkiezing voor de personeelsafgevaardigden van de Comités en de datum waarop de kandidaturen moeten worden ingediend.
De prestaties van de getuigen die de kiesverrichtingen bijwonen, worden als effectief werk beschouwd en als dusdanig beloond.

Art. 61. 

Het mandaat van de personeelsafgevaardigde neemt een einde:

  • 1° in geval van niet-herkiezing als gewoon of plaatsvervangend lid, zodra het Comité is aangesteld;
  • 2° indien de betrokkene geen deel meer uitmaakt van het personeel;
  • 3° in geval van ontslagneming;
  • 4° indien de betrokkene geen lid meer is van de werknemersorganisatie die de kandidatuur heeft voorgedragen;
  • 5° in geval van intrekking van het mandaat wegens ernstige tekortkoming, uitgesproken door het bij artikel 79 bedoelde rechtscollege, op verzoek van de werknemersorganisatie die de kandidatuur heeft voorgedragen;
  • 6° indien de betrokkene niet meer behoort tot de categorie van werknemers waartoe hij behoorde op het ogenblik van de verkiezingen, tenzij de organisatie die de kandidatuur heeft voorgedragen het behoud van het mandaat vraagt bij aangetekend schrijven gericht aan de werkgever;
  • 7° zodra de betrokkene deel uitmaakt van het leidinggevend personeel;
  • 8° in geval van overlijden.

De bepaling van het eerste lid, 6°, is evenwel niet toepasselijk op het lid dat de jonge werknemers vertegenwoordigt.

Art. 62. 

Het plaatsvervangend lid zal ter vervanging van een gewoon lid zetelen:

  • 1° ingeval het gewoon lid verhinderd is;
  • 2° indien het mandaat van het gewoon lid een einde neemt om één van de bij artikel 61, 2° tot 8°, opgesomde redenen. In deze gevallen voltooit het plaatsvervangend lid dit mandaat.

De niet-verkozen kandidaat van dezelfde categorie en van dezelfde lijst die het grootste aantal stemmen heeft bekomen, wordt plaatsvervanger van een gewoon lid dat zetelt ter vervanging van een gewoon lid wiens mandaat een einde heeft genomen om één van de in artikel 61, 2° tot 8°, opgesomde redenen. Deze bepaling is niet van toepassing op de kandidaten bedoeld in artikel 2, § 3, tweede lid, van voornoemde wet van 19 maart 1991.
Indien er geen plaatsvervangende leden meer zijn om een vacante zetel te bezetten, mag een kandidaat van dezelfde categorie en van dezelfde lijst worden aangewezen, volgens de door de Koning vastgestelde regels. Deze kandidaat voltooit het mandaat en komt in aanmerking voor de bepalingen van artikel 2, § 2, van voornoemde wet van 19 maart 1991.

Art. 63. 

Indien het aantal personeelsafgevaardigden lager is dan twee, wordt het Comité hernieuwd. De Koning stelt de bijzondere regels voor die verkiezingen vast.

Art. 64. 

Het mandaat van de personeelsafgevaardigden of de hoedanigheid van kandidaat mogen geen aanleiding geven tot benadeling, noch tot bijzondere voordelen.
De personeelsafgevaardigden en de kandidaten genieten de normale promoties en voordelen van de werknemerscategorie waartoe ze behoren.
Deze bepalingen zijn ook toepasselijk op de leden van de vakbondsafvaardiging die met toepassing van artikel 52 belast is met het uitoefenen van de opdrachten van de Comités.

Afdeling 4. - Bevoegdheden.

Art. 65. 

Het Comité heeft hoofdzakelijk als opdracht alle middelen op te sporen en voor te stellen en actief bij te dragen tot alles wat wordt ondernomen om het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk te bevorderen. De Koning kan deze opdracht nader omschrijven en bijkomende opdrachten aan het Comité toevertrouwen, binnen het kader van de domeinen bedoeld in artikel 4.

Afdeling 5. - Werking.

Art. 66. 

De prestaties van de leden van de Comités worden voor de bezoldiging gelijkgesteld met werkelijke arbeidstijd, zelfs indien zij buiten de arbeidsuren worden geleverd.
De bijkomende verplaatsingskosten van de personeelsafgevaardigden komen ten laste van de werkgever in de gevallen en onder de voorwaarden die door de Koning worden vastgesteld.

Art. 67. 

De Comités kunnen andere personeelsleden horen in verband met de kwesties die zij onderzoeken.
De Koning bepaalt onder welke voorwaarden de leden van de Comités de aanwezigheid van deskundigen mogen vorderen. Hij bepaalt de schaal van hun vergoedingen, die ten laste van de werkgever komen.

Art. 68. 

Elk Comité bepaalt in een huishoudelijk reglement zijn nadere werkingsmodaliteiten. De Koning bepaalt welke punten de huishoudelijke reglementen minstens moeten bevatten. De paritaire comités kunnen modelhuishoudelijke reglementen opstellen die door de Koning algemeen verbindend kunnen verklaard worden.

Afdeling 6. - Overgang van onderneming en overname van activa.

Art. 69. 

Voor de toepassing van deze afdeling wordt verstaan onder:

  • 1° onderneming: de juridische entiteit;
  • 2° overname van activa: het vestigen van een zakelijk recht op het geheel of een deel van de activa van een failliete onderneming of van een onderneming die het voorwerp is van een gerechtelijk akkoord met boedelafstand waarbij de hoofdactiviteit van de onderneming of van een afdeling ervan wordt voortgezet.
Art. 70. 

Bij overgang krachtens overeenkomst van één of meer ondernemingen:

  • blijven de bestaande Comités fungeren, zo de betrokken ondernemingen hun aard van technische bedrijfseenheid behouden;
  • wordt, in de andere gevallen, tot de eerstkomende verkiezingen het Comité van de nieuwe onderneming gevormd door al de leden van de Comités die vroeger werden verkozen bij de betrokken ondernemingen, tenzij de partijen er anders over beslissen. Dit Comité fungeert voor het geheel van het personeel van de betrokken ondernemingen.
Art. 71. 

Bij overgang krachtens overeenkomst van een gedeelte van een onderneming naar een andere onderneming die beide over een Comité beschikken:

  • blijven de bestaande Comités fungeren indien de bestaande technische bedrijfseenheden ongewijzigd blijven;
  • blijft, zo de aard van de technische bedrijfseenheden gewijzigd wordt, het bestaande Comité fungeren in de onderneming waarvan een gedeelte overgaat; de personeelsafgevaardigden van het Comité, tewerkgesteld in het gedeelte van de onderneming dat overgaat, worden toegevoegd aan het Comité van de onderneming waarnaar het bedoelde gedeelte is overgegaan.
Art. 72. 

Bij overgang krachtens overeenkomst van een gedeelte van een onderneming met een Comité naar een onderneming zonder Comité:

  • blijft het bestaande Comité fungeren, zo de aard van technische bedrijfseenheid behouden blijft;
  • blijft, zo de aard van technische bedrijfseenheid gewijzigd wordt, het Comité van de onderneming waarvan een gedeelte is overgegaan, fungeren met de personeelsafgevaardigden die niet tewerkgesteld waren in het gedeelte van de onderneming dat is overgegaan;
  • wordt bovendien, in de onderneming waarnaar een gedeelte van een andere onderneming is overgegaan, een Comité opgericht tot de eerstkomende verkiezingen bestaande uit de personeelsafgevaardigden tewerkgesteld in bedoeld gedeelte, tenzij de partijen een andere regeling treffen.
Art. 73. 

Bij splitsing van een technische bedrijfseenheid in verschillende juridische entiteiten die geen wijziging meebrengt in de aard van de technische bedrijfseenheid, blijft het bestaande Comité tot de eerstkomende verkiezingen behouden. Ontstaan er verscheidene technische bedrijfseenheden dan blijft het Comité voor het geheel van de eenheden bestaan tot de eerstkomende verkiezingen, tenzij de partijen een andere regeling treffen.

Art. 74. 

In alle gevallen van overgang van een onderneming of van een gedeelte ervan krachtens overeenkomst alsmede in geval van splitsing van een technische bedrijfseenheid in juridische entiteiten, blijven de leden die het personeel vertegenwoordigen en de kandidaten de beschermingsmaatregelen genieten bepaald in voornoemde wet van 19 maart 1991.

Art. 75. 

Indien de overgang krachtens overeenkomst, de splitsing of een andere wijziging van de technische bedrijfseenheden plaatsvindt nadat de bepaling van de technische bedrijfseenheden definitief is geworden en voor de dag van de verkiezingen, wordt met de overgang, de splitsing of de wijzigingen van de technische bedrijfseenheden slechts rekening gehouden vanaf de aanstelling van het Comité. De regels bepaald in de artikelen 70 tot 74 zijn in dat geval van toepassing.

Art. 76. 

In geval van overname van activa van een failliete onderneming of van een onderneming die het voorwerp is van een gerechtelijk akkoord met boedelafstand:

  • 1° blijft een comité behouden tot de eerstkomende verkiezingen indien de technische bedrijfseenheid of de technische bedrijfseenheden waaruit de onderneming bestaat, de aard behouden die ze hadden voor het faillissement of het gerechtelijk akkoord door boedelafstand zonder in een andere onderneming opgenomen te worden; het comité is uitsluitend samengesteld uit een aantal effectieve personeelsafgevaardigden, evenredig met het aantal in de nieuwe onderneming tewerkgestelde werknemers volgens de door de Koning bepaalde regelen; de personeelsafgevaardigden worden onder de gewone of plaatsvervangende afgevaardigden die werden overgenomen, of onder de niet-verkozen kandidaat-personeelsafgevaardigden voor de laatste verkiezingen van het comité die werden overgenomen, aangewezen door de werknemersorganisaties die de bij de vorige verkiezingen verkozen afgevaardigden hebben voorgedragen; dit comité fungeert voor het geheel van het personeel van de overgenomen onderneming;
  • 2° blijft een comité behouden tot de eerstkomende verkiezingen indien de technische bedrijfseenheid of de technische bedrijfseenheden waaruit de onderneming bestaat, in een andere onderneming of technische bedrijfseenheid ervan worden opgenomen en indien de onderneming of de technische bedrijfseenheid waarin ze worden opgenomen, niet over een dergelijk comité beschikt; het comité is uitsluitend samengesteld uit een aantal effectieve personeelsafgevaardigden, evenredig met het aantal overgenomen werknemers volgens de door de Koning bepaalde regelen; de personeelsafgevaardigden worden onder de gewone of plaatsvervangende afgevaardigden die werden overgenomen, of onder de niet-verkozen kandidaat-personeelsafgevaardigden voor de laatste verkiezingen van het comité die werden overgenomen, aangewezen door de werknemersorganisaties die de bij de vorige verkiezingen verkozen afgevaardigden hebben voorgedragen; dit comité fungeert voor het deel van de overgenomen onderneming.

De werknemersorganisaties die de bij de vorige verkiezingen verkozen afgevaardigden hebben voorgedragen, kunnen met de nieuwe werkgever een ander geldig akkoord sluiten tot de eerstkomende verkiezingen.

HOOFDSTUK IX. - Aan de organen gemeenschappelijke bepalingen.

Art. 77. 

Alle bevelen, raadgevingen en opvoedende aanbevelingen vanwege de in de hoofdstukken VI tot VIII bedoelde organen die schriftelijk door middel van aanplakbiljetten of individuele nota's aan de werknemers gegeven worden, zullen op zulke wijze gesteld zijn dat zij door alle werknemers begrepen worden.

Art. 78. 

De Koning kan alle maatregelen treffen om, zowel op het nationale als op het plaatselijke en op het professionele vlak, de werkzaamheden van de in de hoofdstukken VI tot VIII bedoelde organen te coördineren en te bevorderen.
Hij kan gewestelijke comités oprichten in de mijnen, graverijen en ondergrondse groeven.


HOOFDSTUK X. - Beroep bij de arbeidsrechtbanken.


Art. 79. 

<W 1999-02-28/39, art. 3, 003; Inwerkingtreding: 28-03-1999> 

§ 1. De werkgevers, de werknemers en de representatieve werknemersorganisaties kunnen bij de arbeidsgerechten een vordering instellen tot beslechting van alle geschillen in verband met deze wet en haar uitvoeringsbesluiten.

§ 2. De in § 1 bedoelde vorderingen zijn onderworpen aan volgende procedureregels:

  • 1° de vorderingen worden ingeleid bij verzoekschrift, verzonden bij aangetekende brief aan of neergelegd bij de griffie van het bevoegd gerecht;
  • 2° de termijnen om de vorderingen in te stellen zijn onderworpen aan de bepalingen van de artikelen 52 en 53 van het Gerechtelijk Wetboek; de dag van verzending van een ter post aangetekende brief of van de neerlegging van het verzoekschrift ter griffie moet uiterlijk met de laatste dag van deze termijnen samenvallen;
  • 3° de eisende partij is ertoe gehouden, in limine litis, bij de griffie van het arbeidsgerecht waarbij de zaak aanhangig is, de identiteit en het volledig adres van de betrokken partijen neer te leggen; onder volledig adres wordt verstaan, de woonplaats of de voornaamste verblijfplaats of de gewone plaats van tewerkstelling;
  • 4° het arbeidsgerecht waarbij de zaak aanhangig is doet uitspraak zonder voorafgaande verzoening, na de betrokken partijen te hebben gehoord of behoorlijk te hebben opgeroepen;
  • 5° de vonnissen en arresten worden bij gerechtsbrief ter kennis gebracht aan de werkgever, aan de betrokken werknemers, aan de betrokken representatieve werknemersorganisaties alsmede aan de personen uitdrukkelijk bepaald door deze wet;
  • 6° de representatieve werknemersorganisaties mogen zich voor de arbeidsgerechten laten vertegenwoordigen door een afgevaardigde, houder van een geschreven volmacht; deze mag namens de organisatie waartoe hij behoort alle handelingen verrichten die bij deze vertegenwoordiging behoren, een verzoekschrift indienen, pleiten en alle mededelingen ontvangen betreffende de rechtsingang, de behandeling en de berechting van het geschil.
    Voor de toepassing van het eerste lid moet onder betrokken partij worden verstaan, elke persoon of representatieve werknemersorganisatie die in het kader van de procedure in het geding wordt betrokken.

§ 3. De Koning kan bepalen binnen welke termijn de in § 1 bedoelde vorderingen moeten worden ingesteld. Hij kan eveneens bepalen of er hoger beroep of verzet kan worden aangetekend en binnen welke termijn, en binnen welke termijn de arbeidsgerechten uitspraak doen.


HOOFDSTUK XI. - Toezicht en strafbepalingen.

Art. 80. 

Onverminderd de bevoegdheden van de officieren van gerechtelijke politie, houden de door de Koning aangewezen ambtenaren toezicht op de naleving van deze wet en de uitvoeringsbesluiten ervan.
Deze ambtenaren oefenen dit toezicht uit overeenkomstig de bepalingen van de wet van 16 november 1972 betreffende de arbeidsinspectie.

Art. 81. 

Onverminderd de bepalingen van de artikelen 82 tot 87 worden gestraft met gevangenisstraf van acht dagen tot één jaar en met geldboete van 50 tot 1 000 frank of met één van die straffen alleen:

  • 1° de werkgever, zijn lasthebbers of aangestelden die de bepalingen van deze wet of van de uitvoeringsbesluiten ervan hebben overtreden;
  • 2° de personen die niet behoren tot het personeel van de werkgever die de opdrachten die hen in toepassing van deze wet worden toevertrouwd uitoefenen in strijd met de bepalingen van deze wet en de uitvoeringsbesluiten ervan of die deze opdrachten niet uitoefenen volgens de voorwaarden en nadere regels bepaald door deze wet en de uitvoeringsbesluiten ervan.
  • Art. 82. 
  • Met geldboete van 100 frank, vermenigvuldigd met het aantal in de onderneming tewerkgestelde werknemers, zonder dat die boete 100 000 frank mag te boven gaan, worden gestraft de werkgever, zijn lasthebbers of aangestelden die:
  • 1° in de onderneming geen Dienst of Comité oprichten, met toepassing van deze wet of de uitvoeringsbesluiten ervan;
  • 2° de werking ervan verhinderen zoals bepaald in deze wet, in de uitvoeringsbesluiten en in de door de Koning algemeen verbindend verklaarde collectieve arbeidsovereenkomsten;
  • 3° de uitoefening van hun opdrachten belemmeren, inzonderheid door de bij deze wet, haar uitvoeringsbesluiten of de door de Koning algemeen verbindend verklaarde collectieve arbeidsovereenkomsten voorgeschreven inlichtingen niet of niet volgens de gestelde regelen te verstrekken of de voorgeschreven raadplegingen niet volgens de gestelde regelen te houden;
  • 4° de uitoefening belemmeren van het mandaat van de personeelsafgevaardigden in de Comités zoals bepaald door deze wet, haar uitvoeringsbesluiten en de door de Koning algemeen verbindend verklaarde collectieve arbeidsovereenkomsten;
  • 5° de uitoefening belemmeren van het mandaat van de vakbondsafvaardiging belast met de opdrachten van de Comités.
Art. 83. 

Met gevangenisstraf van acht dagen tot één jaar en met geldboete van 50 tot 1 000 frank of met één van die straffen alleen worden gestraft de ondernemer, zijn lasthebbers of aangestelden die artikel 7 en de uitvoeringsbesluiten ervan hebben overtreden.


Art. 84. 

Met gevangenisstraf van acht dagen tot één jaar en met geldboete van 50 tot 2 000 frank of met één van die straffen alleen worden gestraft:

  • 1° de werkgever in wiens inrichting werknemers van ondernemingen van buitenaf werkzaamheden komen uitvoeren, zijn lasthebbers of aangestelden die artikel 8, eerste, derde en vierde lid, en de uitvoeringsbesluiten ervan hebben overtreden;
  • 2° de werkgever van de onderneming van buitenaf, zijn lasthebbers of aangestelden die artikel 8, tweede, derde en vierde lid, en de uitvoeringsbesluiten ervan hebben overtreden.
    Art. 85. Met gevangenisstraf van acht dagen tot één jaar en met geldboete van 50 tot 1 000 frank of met één van die straffen alleen worden gestraft de werkgever in wiens inrichting werknemers van ondernemingen van buitenaf of zelfstandigen werkzaamheden komen uitvoeren, zijn lasthebbers of aangestelden die de bepalingen van de artikelen 9, 10 en 12, en hun uitvoeringsbesluiten hebben overtreden.
Art. 86. 

Met gevangenisstraf van acht dagen tot éen jaar en met geldboete van 50 tot 1 000 frank of met één van die straffen alleen worden gestraft:

  • 1° de opdrachtgever of de bouwdirectie belast met het ontwerp, hun lasthebbers of aangestelden die de krachtens de artikelen 15 tot 17 en 19 van deze wet en hun uitvoeringsbesluiten vastgestelde verplichtingen hebben overtreden;
  • 2° de opdrachtgever, de bouwdirectie belast met het ontwerp, hun lasthebbers of aangestelden die geen of onvoldoende toezicht hebben gehouden op de door de coördinatoren inzake veiligheid en gezondheid tijdens de uitwerkingsfase van het ontwerp van het bouwwerk na te leven verplichtingen.
  • Art. 87. 
  • Met gevangenisstraf van acht dagen tot één jaar en met geldboete van 50 tot 2 000 frank of met één van die straffen alleen worden gestraft:
  • 1° de opdrachtgever, de bouwdirectie belast met de uitvoering of de bouwdirectie belast met de controle op de uitvoering, hun lasthebbers of aangestelden die de bepalingen van de artikelen 15, 20, 21 en 23 en hun uitvoeringsbesluiten hebben overtreden;
  • 2° de opdrachtgever, de bouwdirectie belast met de uitvoering of de bouwdirectie belast met de controle op de uitvoering, hun lasthebbers of aangestelden die geen of onvoldoende toezicht hebben gehouden op de door de coördinatoren inzake veiligheid en gezondheid tijdens de verwezenlijking van het bouwwerk na te leven verplichtingen;
  • 3° de aannemers, hun lasthebbers of aangestelden die de bepalingen van de artikelen 15, 20, tweede lid, 23 en 24 en hun uitvoeringsbesluiten hebben overtreden;
  • 4° de werkgevers, hun lasthebbers of aangestelden die de bepaling van artikel 31 en zijn uitvoeringsbesluiten hebben overtreden;
  • 5° de bouwdirectie belast met de uitvoering, haar lasthebbers of aangestelden die de bepalingen van de artikelen 25, 28, eerste lid, en 29 en hun uitvoeringsbesluiten hebben overtreden;
  • 6° de aannemer, zijn lasthebbers of aangestelden die de bepalingen van de artikelen 26, 28, eerste lid, en 29 en hun uitvoeringsbesluiten hebben overtreden;
  • 7° de onderaannemer, zijn lasthebbers of aangestelden die de bepalingen van de artikelen 27, 28, eerste lid, en 29 en hun uitvoeringsbesluiten hebben overtreden.
Art. 88. 

Met gevangenisstraf van acht dagen tot één jaar en met geldboete van 26 tot 500 frank of met één van die straffen alleen wordt gestraft de zelfstandige die de bepalingen van de artikelen 11, 12 en 28, tweede lid, heeft overtreden.

Art. 89. 

Onverminderd het bepaalde in de artikelen 269 en 271 tot 274 van het Strafwetboek, wordt gestraft met gevangenisstraf van acht dagen tot drie maanden en met geldboete van 50 tot 1 000 frank of met één van die straffen alleen al wie het krachtens deze wet en haar uitvoeringsbesluiten geregelde toezicht verhindert.

Art. 90. 

In geval van herhaling binnen drie jaar te rekenen van de vroegere veroordeling, wordt de straf verdubbeld.

Art. 91. 

De werkgever is burgerlijk aansprakelijk voor de betaling van de boeten waartoe zijn lasthebbers of aangestelden zijn veroordeeld.

Art. 92. 

Voor de berekening van de verjaringstermijn worden als voortdurende misdrijven beschouwd de in de artikelen 81 tot 89 vermelde misdrijven.

Art. 93. 

<W 1998-02-13/32, art. 117, 002; Inwerkingtreding: 01-03-1998> 

§ 1. Alle bepalingen van boek I van het Strafwetboek, met inbegrip van hoofdstuk VII, zijn toepasselijk op de bij deze wet bepaalde misdrijven.

§ 2. Artikel 85 van voormeld wetboek is toepasselijk op de in deze wet bepaalde misdrijven zonder dat het bedrag van de geldboete lager mag zijn dan 40 % van de bij deze wet bepaalde minimumbedragen.

Art. 94. 

De strafvordering wegens overtreding van de bepalingen van deze wet en de uitvoeringsbesluiten ervan verjaart door verloop van vijf jaar na het feit waaruit de vordering is ontstaan.

HOOFDSTUK XIII. - Slotbepalingen.

Art. 95. 

De Koning neemt de in deze wet bedoelde maatregelen na het inwinnen van het advies van de in artikel 44 bedoelde Hoge Raad, behalve de maatregelen bedoeld in de artikelen 49, 50, 51, 53, 56, 58 tot 60, 62, 63, 65, tweede lid, 66 en 76. Deze maatregelen neemt hij na het inwinnen van het advies van de Nationale Arbeidsraad.
De Hoge Raad geeft zijn advies binnen zes maanden nadat hem dit gevraagd is. In spoedeisende gevallen kan de minister die het advies vraagt, deze termijn beperken tot twee maanden. Zodra deze termijnen verstreken zijn, mag er aan voorbijgegaan worden.
De Nationale Arbeidsraad geeft zijn advies binnen twee maanden nadat hem dit gevraagd is. Na het verstrijken van deze termijn mag er aan voorbijgegaan worden.

Art. 96. 

§ 1. Artikel 1, 24°, van de wet van 30 juni 1971 betreffende de administratieve geldboeten toepasselijk in geval van inbreuk op sommige sociale wetten, gewijzigd bij de wetten van 23 januari 1975 en 23 maart 1994, wordt opgeheven.

§ 2. Artikel 1bis van dezelfde wet, _ gewijzigd bij de wetten van 1 juni 1993, 23 maart 1994 en 30 maart 1994, wordt aangevuld als volgt:
" 8° van 10 000 frank tot 100 000 frank aan:

  • a) de werkgever die de bepalingen van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk of de uitvoeringsbesluiten ervan heeft overtreden;
  • b) de werkgever die in zijn onderneming geen Comité voor preventie en bescherming of geen Interne Dienst voor preventie en bescherming heeft opgericht met toepassing van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk of van haar uitvoeringsbesluiten, die de werking ervan zoals in voornoemde wet bepaald, verhindert, of die de uitoefening van hun opdrachten belemmert door de bij de wet, haar uitvoeringsbesluiten of de door Koning algemeen verbindend verklaarde collectieve arbeidsovereenkomsten voorgeschreven inlichtingen niet of niet volgens de gestelde regelen te verstrekken of de voorgeschreven raadplegingen niet volgens de gestelde regelen te houden, of tenslotte, die de uitoefening verhindert van het mandaat van de personeelsafgevaardigden in de Comités zoals bepaald bij de wet, haar uitvoeringsbesluiten en de door de Koning algemeen verbindend verklaarde collectieve arbeidsovereenkomsten;
  • c) de werkgever die de uitoefening belemmert van het mandaat van de vakbondsafvaardiging belast met de opdrachten van de Comités;
  • d) de ondernemer bedoeld in artikel 83 van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk;
  • e) de werkgever bedoeld in artikel 85 van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk, in wiens inrichting werknemers van ondernemingen van buitenaf werkzaamheden komen uitvoeren;
  • f) de opdrachtgever of de bouwdirectie belast met het ontwerp die de inbreuk bedoeld in artikel 86 van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk heeft gepleegd.

van 10 000 frank tot 200 000 frank de werkgevers bedoeld in artikel 84 van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk.

10° van 10 000 frank tot 200 000 frank:

  • a) de opdrachtgever, de bouwdirectie belast met de uitvoering of de bouwdirectie belast met de controle op de uitvoering bedoeld in artikel 87, 1° en 2°, van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk;
  • b) de aannemers bedoeld in artikel 87, 3° en 6°, van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk;
  • c) de werkgever bedoeld in artikel 87, 4°, van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk;
  • d) de bouwdirectie belast met de uitvoering bedoeld in artikel 87, 5°, van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk;
  • e) de onderaannemer bedoeld in artikel 87,7°, van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk.
Art. 97. 

De bepalingen van de artikelen 15 tot 19 zijn voor de eerste maal van toepassing op de ontwerpen van bouwwerken waarvan de uitwerking een aanvang neemt na de inwerkingtreding van hoofdstuk V zoals bepaald door de Koning.
De Koning stelt bijzondere regelen vast voor de toepassing van de bepalingen van de artikelen 15 en 20 tot 31 op de bouwwerken waarvan de verwezenlijking een aanvang heeft genomen voor de inwerkingtreding van hoofdstuk V, zoals bepaald door de Koning.


Art. 98. 

§ 1. De wet van 10 juni 1952 betreffende de gezondheid en de veiligheid van de werknemers, alsmede de salubriteit van het werk en van de werkplaatsen, gewijzigd bij de wetten van 17 juli 1957, 28 januari 1963, 10 oktober 1967, 17 februari 1971, 16 maart 1971, 23 januari 1975, bij het koninklijk besluit nr. 4 van 11 oktober 1978, het koninklijk besluit nr. 15 van 23 oktober 1975, het koninklijk besluit van 28 september 1984, en de wetten van 22 januari 1985, 22 december 1989, 2 januari 1991, 19 maart 1991, 30 maart 1994 en 7 juli 1994, wordt opgeheven.

§ 2. In de wetten op de mijnen, groeven en graverijen, gecoördineerd op 15 september 1919, worden opgeheven:

  • 1° artikel 76bis, ingevoegd door de wet van 15 juli 1957;
  • 2° artikel 76ter, ingevoegd door de wet van 15 juli 1957 en gewijzigd door de wet van 10 oktober 1967 en het koninklijk besluit van 17 mei 1993;
  • 3° artikel 130bis, ingevoegd door de wet van 15 juli 1957.
Art. 99. 

De bepalingen van het algemeen reglement voor de arbeidsbescherming en van de besluiten genomen ter uitvoering van de wet van 10 juni 1952 betreffende de gezondheid en de veiligheid van de werknemers, alsmede de salubriteit van het werk en van de werkplaatsen evenals van de besluiten genomen ter uitvoering van de wetten op de mijnen, groeven en graverijen, gecoördineerd op 15 september 1919, blijven van kracht totdat zij uitdrukkelijk worden opgeheven of totdat hun geldigheidsdatum verstrijkt.

Art. 100. 

De Koning kan de bestaande wetsbepalingen wijzigen om ze aan te passen aan de bepalingen van deze wet.

Art. 101. 

Deze wet treedt in werking op de eerste dag van de eerste maand na die waarin zij is bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad, met uitzondering van hoofdstuk V dat in werking treedt op de datum bepaald door de Koning en met uitzondering van hoofdstuk VI dat in werking treedt op de eerste dag van de (negentiende maand) na die waarin deze wet is bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad. <W 1998-02-13/32, art. 54, 002; Inwerkingtreding: 01-10-1997>
(NOTA: Inwerkingtreding van hoofdstuk V vastgesteld op 01-08-1999 door KB 1999-06-28/31, art. 1)


Kondigen deze wet af, bevelen dat zij met 's Lands zegel zal worden bekleed en door het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.
Gegeven te Châteauneuf-de-Grasse, 4 augustus 1996.


2.   30 OKTOBER 1998

Wet die een artikel 442bis in het strafwetboek invoegt met het oog op de strafbaarstelling van de belaging

Bron : JUSTITIE
Publicatie : 17-12-1998
Inwerkingtreding : 27-12-1998
Dossiernummer :
1998-10-30/34

Art. 1-2

Artikel 1. 

Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.

Art. 2. 

In titel VIII van boek II van het Strafwetboek wordt onder een hoofdstuk IVbis (nieuw), met als opschrift "<Belaging>", een artikel 442bis ingevoegd, luidende :

"Art. 442bis. Hij die een persoon heeft belaagd terwijl hij wist of had moeten weten dat hij door zijn gedrag de rust van die bewuste persoon ernstig zou verstoren, wordt gestraft met gevangenisstraf van vijftien dagen tot twee jaar en met geldboete van vijftig frank tot driehonderd frank of met een van die straffen alleen.
Tegen het in dit artikel bedoelde misdrijf kan alleen vervolging worden ingesteld op een klacht van de persoon die beweert te worden belaagd.".

Kondigen deze wet af, bevelen dat zij met 's Lands zegel zal worden bekleed en door het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.

Gegeven te Brussel, 30 oktober 1998.

 


3.   17 juni 2002

17 JUNI 2002. - Wet tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek naar aanleiding van de wet van 11 juni 2002 betreffende de bescherming tegen geweld, pesterijen en ongewenst seksueel gedrag op het werk (1)

Bron : Belgisch Staatsblad
Publicatie : 25-06-2002
Inwerkingtreding : 01-07-2002
Dossiernummer :
2002012829

Albert II, Koning der Belgen,

Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.

 

De Kamers hebben aangenomen en Wij bekrachtigen hetgeen volgt :


HOOFDSTUK I. 

Algemene bepaling

Artikel 1. 

Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 77 van de Grondwet.

HOOFDSTUK II.

Wijziging van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk en van het Gerechtelijk Wetboek

Art. 2. 

Artikel 79, § 1, van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk, vervangen bij de wet van 28 februari 1999, wordt vervangen als volgt : « Onverminderd de bepalingen van artikel 32duodecies , kunnen de werkgevers, de werknemers en de representatieve werknemersorganisaties bij de arbeidsgerechten een vordering instellen tot beslechting van alle geschillen in verband met deze wet en haar uitvoeringsbesluiten. »

Art. 3. 

Artikel 81, vijfde lid, van het Gerechtelijk Wetboek, vervangen bij de wet van 7 mei 1999, wordt vervangen als volgt :
« In de geschillen betreffende de aangelegenheden bedoeld in de artikelen 578, 4°, 5°, 6°, 8°, 10° en 11°, 579, 580, 582, 3° en 4°, en voor de toepassing op de werkgevers van de administratieve sancties bedoeld in artikel 583, moet één van de rechters in sociale zaken benoemd zijn als werkgever, de andere als werknemer. »

Art. 4. 

Artikel 104, vierde lid, van het Gerechtelijk Wetboek, vervangen bij de wet van 7 mei 1999, wordt vervangen door het volgende lid : « De kamers die kennis nemen van hoger beroep tegen een vonnis, gewezen in een geschil betreffende de aangelegenheden bedoeld in de artikelen 578, 4°, 5°, 6°, 8°, 10° en 11°, 579, 580, 582, 3° en 4°, of betreffende de toepassing op werkgevers van administratieve sancties bedoeld in artikel 583, bestaan, buiten de voorzitters, uit twee raadsheren in sociale zaken, respectievelijk benoemd als werkgever en werknemer. »

Art. 5. 

Artikel 578 van het Gerechtelijk Wetboek, gewijzigd bij de wetten van 5 december 1968, 4 augustus 1968, 4 augustus 1978, 17 juli 1997, 13 februari 1998 en 7 mei 1999, wordt aangevuld als volgt :
« 11° van de geschillen betreffende geweld, pesterijen en ongewenst seksueel gedrag op het werk, die hun oorzaak vinden in hoofdstuk Vbis van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk. »

Art. 6. 

Artikel 764, eerste lid, 10° van het Gerechtelijk Wetboek, vervangen bij de wet van 23 april 1998 wordt vervangen als volgt : « 10° de vorderingen bepaald in de artikelen 578, 11°, 580, 581, 582, 1°, 2° en 6° en 583; »

Art. 7. 

Deze wet treedt in werking op de eerste dag van de eerste maand na die waarin ze is bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad .


Kondigen deze wet af, bevelen dat zij met 's Lands zegel zal worden bekleed en door het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.


Gegeven te Brussel, 17 juni 2002.

ALBERT
Van Koningswege :
De Minister van Werkgelegenheid,
Mevr.
L. ONKELINX
Met 's Lands zegel gezegeld :
De Minister van Justitie,
M.
VERWILGHEN
_______
Nota's
(1) Gewone zitting 2001-2002.
Kamer van Volksvertegenwoordigers :
Parlementaire stukken. - Wetsontwerp nr. 1584/001. - Verslag nr. 1584/002. - Tekst aangenomen in plenaire vergadering en overgezonden aan de Senaat nr. 1584/002.
Handelingen van de Kamer. - 28 februari 2002.
Senaat :
Parlementaire stukken. - Ontwerp overgezonden door de Kamer van Volksvertegenwoordigers nr. 2-1064/1. - Verslag nr. 2-1064/2. - Tekst aangenomen in plenaire vergadering en aan de Koning ter bekrachtiging voorgelegd nr. 2-1064/3.
Handelingen van de Senaat. - 23 mei 2002.



 


5.   11  juli 2002

Omzendbrief betreffende de bescherming tegen geweld, pesterijen en ongewenst seksueel gedrag op het werk

Bron : Belgisch Staatsblad
Publicatie : 18-07-2002
Inwerkingtreding :  
Dossiernummer :
2002012896

De strijd tegen geweld, pesterijen en ongewenst seksueel gedrag op het werk is recentelijk opgenomen in een gestructureerd en praktisch wettelijk kader dat een preventief en een repressief luik omvat.


Het gaat meer bepaald om :

  • 1° de wet van 11 juni 2002 betreffende de bescherming tegen geweld, pesterijen en ongewenst seksueel gedrag op het werk, gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 22 juni 2002;
  • 2° het koninklijk besluit van 11 juli 2002 betreffende de bescherming tegen geweld, pesterijen en ongewenst seksueel gedrag op het werk, gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 18 juli 2002.

Deze wetgeving is in werking getreden op 1 juli 2002.

De werkgevers beschikken voortaan over de nodige instrumenten om op meerdere niveaus preventief, proactief en corrigerend op te treden tegen de talrijke problemen voortvloeiend uit alle vormen van geweld die evenzeer een directe inbreuk zijn op het welzijn van de werknemers op de werkvloer.

Ook de slachtoffers beschikken in de onderneming of instelling over de mogelijkheden en middelen om hun rechten te kennen, zich te laten horen en beschermd te worden.

De werkgevers moeten op een zeer concrete wijze, enerzijds een aantal maatregelen treffen die de werknemers die thans slachtoffer van geweld zijn, in staat stellen hun rechten te doen gelden en anderzijds moeten zij de nodige organisatorische maatregelen treffen om deze maatschappelijk plaag in de toekomst te beheersen via een efficiënt preventie- en informatiebeleid.

Onder de verschillende maatregelen die de werkgever moet treffen is de aanwijzing van een preventieadviseur die belast is met de specifieke problematiek van geweld, pesterijen en ongewenst seksueel gedrag op het werk, de meest dringende opgave. 

Die aanwijzing vereist het voorafgaand akkoord van alle afgevaardigden van de werknemers in het Comité voor preventie en bescherming op het werk, of bij ontstentenis, van de vakbondsafvaardiging.

Deze aanwijzing moet uiterlijk op 31 december 2002 effectief gebeurd zijn.

Indien de werkgever minder dan vijftig werknemers tewerkstelt, is hij verplicht een beroep te doen op de externe dienst voor preventie en bescherming op het werk waarmee hij reeds een overeenkomst heeft ondertekend.

Deze externe dienst zal hem een bevoegde preventieadviseur voorstellen.

Indien de werkgever meer dan vijftig werknemers tewerkstelt, zijn meerdere opties mogelijk.

  • 1) De werkgever doet een beroep op een of meerdere personen binnen zijn onderneming of instelling die deskundig zijn op het vlak van de geweldproblematiek. Indien die personen voldoen aan de voorwaarden voor de uitoefening van de functie als preventieadviseur, kan hun kandidatuur in dat geval onverwijld ter goedkeuring worden voorgelegd aan het Comité. Deze voorwaarden zijn vastgesteld in artikel 22, 5° van het koninklijk besluit van 27 maart 1998 betreffende de externe diensten voor preventie en bescherming op het werk, en zijn de volgende :
    • deze persoon heeft een academische vorming;
    •  hij moet het bewijs leveren dat hij met vrucht de aanvullende vorming van niveau 1 heeft gevolgd;
    • en hij beschikt over een ervaring van vijf jaar op het vlak van de psychosociale aspecten van het werk.

      Deze persoon moet bovendien deel uitmaken van de interne dienst voor preventie en bescherming op het werk.
  • 2) De werkgever beschikt binnen zijn interne dienst over een preventieadviseur die reeds belast is met taken en opdrachten met betrekking tot de psycho-sociale aspecten van het werk. Indien deze persoon over drie jaar ervaring beschikt kan hij zijn activiteiten uitbreiden tot de problemen inzake geweld, pesterijen en ongewenst seksueel gedrag op het werk overeenkomstig artikel 16 van het koninklijk besluit betreffende de bescherming tegen geweld, pesterijen en ongewenst seksueel gedrag op het werk.
  • 3) De werkgever telt reeds onder zijn personeel vertrouwenspersonen die aangewezen zijn in het kader van andere wetgevingen betreffende ongewenst seksueel gedrag op het werk. Die vertrouwenspersonen kunnen gelijkgesteld worden met een preventieadviseur indien ze voldoen aan de voorwaarden bedoeld in artikel 17 van voornoemd koninklijk besluit en behoren dan uiteraard tot de interne dienst voor preventie en bescherming op het werk.
  • 4) De werkgever heeft niet het voornemen om voor zijn interne dienst een bevoegde preventieadviseur aan te werven. In dat geval dient hij beroep te doen op zijn externe dienst. Deze externe dienst zal hem een bevoegde preventieadviseur voorstellen wiens aanwijzing voor akkoord wordt voorgelegd aan het comité op de eerstvolgende vergadering.
  • 5) Indien de werknemersvertegenwoordigers in het comité geen akkoord bereiken over de aanwijzing van de preventieadviseur in de interne dienst voor preventie en bescherming op het werk, zoals beschreven in punt 1) tot 3), moet de werkgever een beroep doen op een preventieadviseur van een externe dienst voor preventie en bescherming op het werk

De werkgever kan tevens de positie van de vertrouwenspersoon bevestigen. 

Die bekrachtiging vereist het voorafgaand akkoord van de afvaardiging van de werknemers in het comité. 

De rol van de vertrouwenspersoon is bepaald in artikel 8 van het koninklijk besluit betreffende de bescherming tegen geweld, pesterijen en ongewenst seksueel gedrag op het werk.

In afwachting van die aanwijzingen, kunnen de werknemers die het slachtoffer zijn van geweld of pesterijen zich tot de volgende personen wenden :

  • de preventieadviseur van de interne dienst wanneer de werkgever meer dan 20 werknemers tewerkstelt;
  • de vertrouwenspersoon die is aangewezen overeenkomstig de wetgeving betreffende ongewenst seksueel gedrag op het werk;
  • de psychosociale preventieadviseur van de externe dienst voor de preventie en bescherming op het werk.
    De werkgevers worden verzocht de naam van de aangewezen persoon mee te delen aan hun personeelsleden.

De taak van die personen bestaat er in te luisteren naar het slachtoffer en te zoeken naar een oplossing op grond van bemiddeling met de dader mits het slachtoffer akkoord gaat. Indien de bemiddeling tot geen resultaat leidt, kunnen zij een met redenen omklede klacht optekenen en de werkgever hiervan op de hoogte brengen, opdat deze passende maatregelen kan treffen om een eind te stellen aan de daden van geweld, pesterijen en ongewenst seksueel gedrag.

Wanneer de pesterijen doorgaan, kunnen die personen een beroep doen op de Medische arbeidsinspectie.
Als bijlage bij deze omzendbrief gaan de adressen, telefoon- en faxnummers en bevoegdheidsgebieden van de Medische arbeidsinspectie.

Brussel, 11 juli 2002.
De Minister van Werkgelegenheid,
Mevr.
L. ONKELINX

Bijlage

1. Directie - Direction Antwerpen

Theater building, Italiëlei 124, 8 verd. 2000 Antwerpen

Tel. 03 2322715
Fax 03 2343133

Gebied - Ressort:
De
provincies Antwerpen en Limburg.
Het bestuurlijk arrondissement Leuven.
In het bestuurlijk arrondissement Halle-Vilvoorde:
Grimbergen, Hoeilaart? Kampenhout, Kappelle-op-den-Bos, Kraainem, Londerzeel, Machelen, Meise, Overijse, Steenokkerzeel, Vilvoorde, Zaventem en Zemst, Wezenbeek-Oppem.

2. Directie - Direction Brussel - Bruxelles

Beliardstraat 51, 1040 Brussel
rue Belliard 51, 1040 Bruxelles

Tel. 02 233 46 09 
Fax 02 2334640

Gebied - Ressort:
Het Brussels Hoofdstedelijk Gewest
La Région de Bruxelles-Capitale

3. Directie - Direction Charleroi

Hôt Ferrer, rue de l'Ecluse 7, 6000 Charleroi

Tel. 071 204924 
Fax 071 204926

Gebied - Ressort:
La province de Hainaut.
L'arrondissement administratif de Philippeville.
Dans l'arrondissement administratif de Dinant:
Basse-Sambre, Floreffe, Fosses-la-Ville, Gembloux, La Bruyère, Mettet, Namur, Profondville, Som-breffe.
Dans l'arrondissement administratif de Nivelles:
Braine-l'Alleud, Braine-le-Château, Chastres, Chaumont-Gistoux, Court-Saint-Etienne, Genappe, Grez-Doiceau, Ittre, La Hulpe, Lasne, Mont-Saint-Guibert, Nivelles, Ottignies, Louvain-la-Neuve, Rebecq, Rixensart, Tubize, Villers-la-ville, Walhain, Waterloo, Wavre.

4. Directie - Direction Gent

Administratief Centrum, Ter Plaeten, Sint-Lievenslaan 33B, 9000 Gent

Tel. 09 2686300 
Fax 09 2686333

Gebied - Ressort:
De
provincies Oost-Vlaanderen en West-Vlaanderen.
In het bestuurlijk arrondissement Halle-Vilvoorde:
Asse, Beerse, Bever, Dilbeek, Drogenbos, Galmaarden, Gooik, Halle, Hekelgem, Herne, Lennik, Liedekerke, Linkebeek, Merchtem, Opwijk, Pepingen, Roosdaal, Sint-Genesius-Rode, Sint-Pieters-Leeuw, Ternat, Wemmel.

5. Directie - Direction Liège

boulevard de la Sauvenière 73, 4000 Liège

Tel. 04 2230434 
Fax 04 2212293

Gebied - Ressort:
Les provinces de Liège et de Luxembourg.
Dans l'arrondissement administratif de Dinant:
Andenne, Assesse, Eghezée, Fernelmont, Gesves et Ohey.
Dans l'arrondissement administratif de Namur:
Beauraing, Bièvre, Ciney, Dinant, Gedinne, Hamois, Havelange, Houyet, Rochefort, Somme-Leuze, Vresse-sur-Semois et Yvoir.
Dans l'arrondissement administratif de Nivelles:
Beauvechain, Hélécine, Incourt, Jodoigne, Orp-Jauche, Perwez, Ramilies.

 


17 juni 2002

 

17 JUNI 2002. - Wet tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek naar aanleiding van de wet van 11 juni 2002 betreffende de bescherming tegen geweld, pesterijen en ongewenst seksueel gedrag op het werk (1)

Bron : Belgisch Staatsblad
Publicatie : 25-06-2002
Inwerkingtreding : 01-07-2002
Dossiernummer :
2002012829

Albert II, Koning der Belgen,

Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.

 

De Kamers hebben aangenomen en Wij bekrachtigen hetgeen volgt :


HOOFDSTUK I. 

Algemene bepaling

Artikel 1. 

Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 77 van de Grondwet.

HOOFDSTUK II.

Wijziging van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk en van het Gerechtelijk Wetboek

Art. 2. 

Artikel 79, § 1, van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk, vervangen bij de wet van 28 februari 1999, wordt vervangen als volgt : « Onverminderd de bepalingen van artikel 32duodecies , kunnen de werkgevers, de werknemers en de representatieve werknemersorganisaties bij de arbeidsgerechten een vordering instellen tot beslechting van alle geschillen in verband met deze wet en haar uitvoeringsbesluiten. »

Art. 3. 

Artikel 81, vijfde lid, van het Gerechtelijk Wetboek, vervangen bij de wet van 7 mei 1999, wordt vervangen als volgt :
« In de geschillen betreffende de aangelegenheden bedoeld in de artikelen 578, 4°, 5°, 6°, 8°, 10° en 11°, 579, 580, 582, 3° en 4°, en voor de toepassing op de werkgevers van de administratieve sancties bedoeld in artikel 583, moet één van de rechters in sociale zaken benoemd zijn als werkgever, de andere als werknemer. »

Art. 4. 

Artikel 104, vierde lid, van het Gerechtelijk Wetboek, vervangen bij de wet van 7 mei 1999, wordt vervangen door het volgende lid : « De kamers die kennis nemen van hoger beroep tegen een vonnis, gewezen in een geschil betreffende de aangelegenheden bedoeld in de artikelen 578, 4°, 5°, 6°, 8°, 10° en 11°, 579, 580, 582, 3° en 4°, of betreffende de toepassing op werkgevers van administratieve sancties bedoeld in artikel 583, bestaan, buiten de voorzitters, uit twee raadsheren in sociale zaken, respectievelijk benoemd als werkgever en werknemer. »

Art. 5. 

Artikel 578 van het Gerechtelijk Wetboek, gewijzigd bij de wetten van 5 december 1968, 4 augustus 1968, 4 augustus 1978, 17 juli 1997, 13 februari 1998 en 7 mei 1999, wordt aangevuld als volgt :
« 11° van de geschillen betreffende geweld, pesterijen en ongewenst seksueel gedrag op het werk, die hun oorzaak vinden in hoofdstuk Vbis van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk. »

Art. 6. 

Artikel 764, eerste lid, 10° van het Gerechtelijk Wetboek, vervangen bij de wet van 23 april 1998 wordt vervangen als volgt : « 10° de vorderingen bepaald in de artikelen 578, 11°, 580, 581, 582, 1°, 2° en 6° en 583; »

Art. 7. 

Deze wet treedt in werking op de eerste dag van de eerste maand na die waarin ze is bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad .


Kondigen deze wet af, bevelen dat zij met 's Lands zegel zal worden bekleed en door het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.


Gegeven te Brussel, 17 juni 2002.

ALBERT
Van Koningswege :
De Minister van Werkgelegenheid,
Mevr.
L. ONKELINX
Met 's Lands zegel gezegeld :
De Minister van Justitie,
M.
VERWILGHEN
_______
Nota's
(1) Gewone zitting 2001-2002.
Kamer van Volksvertegenwoordigers :
Parlementaire stukken. - Wetsontwerp nr. 1584/001. - Verslag nr. 1584/002. - Tekst aangenomen in plenaire vergadering en overgezonden aan de Senaat nr. 1584/002.
Handelingen van de Kamer. - 28 februari 2002.
Senaat :
Parlementaire stukken. - Ontwerp overgezonden door de Kamer van Volksvertegenwoordigers nr. 2-1064/1. - Verslag nr. 2-1064/2. - Tekst aangenomen in plenaire vergadering en aan de Koning ter bekrachtiging voorgelegd nr. 2-1064/3.
Handelingen van de Senaat. - 23 mei 2002.


6.   11 juli 2002

Koninklijk besluit betreffende de bescherming tegen geweld, pesterijen en ongewenst seksueel gedrag op het werk 

Bron : Belgisch Staatsblad
Publicatie : 18-07-2002
Inwerkingtreding :  01-07-2002
Dossiernummer :
2002012876

 

ALBERT II, Koning der Belgen,

Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.

Gelet op de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk, inzonderheid op artikel 2, § 3, artikel 4, § 1, eerste lid, gewijzigd bij de wet van 7 april 1999, de artikelen 32quater , § 2, 32quinquies , § 2 en 32sexies , § 4, ingevoegd bij de wet van 11 juni 2002 en artikel 80, eerste lid;

Gelet op het koninklijk besluit van 27 maart 1998 betreffende het beleid inzake het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk, inzonderheid op de artikelen 4, 9, 14 en 22;

Gelet op het koninklijk besluit van 27 maart 1998 betreffende de Interne Dienst voor preventie en bescherming op het Werk, inzonderheid op artikel 2 en artikel 14, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 3 mei 1999;

Gelet op het koninklijk besluit van 27 maart 1998 betreffende de externe diensten voor preventie en bescherming op het werk, inzonderheid op artikel 13bis , ingevoegd bij het koninklijk besluit van 20 februari 2002 en op de artikelen 21 en 22;

Gelet op de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk, inzonderheid op artikel 95;

Gelet op het verzoek om spoedbehandeling gemotiveerd door de omstandigheid dat de wet van 11 juni 2002 betreffende de bescherming tegen geweld, pesterijen en ongewenst seksueel gedrag op het werk in werking treedt op 1 juli 2002; dat de uitvoeringsmaatregelen bedoeld in het nieuwe artikel 32quater , § 2, en het nieuwe artikel 32sexies , § 4, van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk op dezelfde datum moeten in werking treden;

Dat het immers onmogelijk is de bepalingen van de nieuwe wet effectief toe te passen, zolang de procedures en de bevoegdheden, de opdrachten en de opleiding van de preventieadviseurs niet nader zijn bepaald; dat indien deze maatregelen niet tijdig worden genomen de werknemers ernstige schade kunnen ondervinden, daar ze zich in de onmogelijkheid zullen bevinden om onmiddellijk hun rechten te doen gelden; dat ook de werkgevers tijdig dienen te weten welke concrete maatregelen zij moeten treffen met het oog op de bescherming van de werknemers tegen geweld, pesterijen en ongewenst seksueel gedrag op het werk; dat dit des te meer van belang is nu er vastgesteld wordt dat er zich steeds meer geweld, pesterijen en ongewenst seksueel gedrag op het werk voordoet en er dus een acuut maatschappelijk probleem is; dat het derhalve dringend noodzakelijk is de nodige maatregelen te treffen opdat dit ontwerp van koninklijk besluit op 1 juli 2002 kan in werking treden;

Gelet op het advies nr. 33.720/1 van de Raad van State, gegeven op 27 juni 2002, met toepassing van artikel 84, eerste lid, 2° van de gecoördineerde wetten op de Raad van State;

Op de voordracht van Onze Minister van Werkgelegenheid,

Hebben Wij besloten en besluiten Wij :

Afdeling I.

Toepassingsgebied en definities

Artikel 1. 

Dit besluit is van toepassing op de werkgevers en de werknemers en de daarmee gelijkgestelde personen bedoeld in artikel 2, § 1, van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk en op de andere personen dan deze bedoeld in artikel 2, § 1, van bedoelde wet die zich op de arbeidsplaatsen bevinden.

Art. 2. 

Voor de toepassing van de bepalingen van dit besluit wordt verstaan onder :

  • 1° de wet : de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk;
  • 2° geweld op het werk : elke feitelijkheid waarbij een werknemer of een andere persoon waarop dit besluit van toepassing is psychisch of fysiek wordt lastiggevallen, bedreigd of aangevallen bij de uitvoering van het werk;
  • 3° pesterijen op het werk : elk onrechtmatig en terugkerend gedrag, buiten of binnen de onderneming of instelling, dat zich inzonderheid kan uiten in gedragingen, woorden, bedreigingen, handelingen, gebaren, en eenzijdige geschriften en dat tot doel of gevolg heeft dat de persoonlijkheid, de waardigheid of de fysieke of psychische integriteit van een werknemer of een ander persoon waarop dit besluit van toepassing is bij de uitvoering van het werk wordt aangetast, dat zijn betrekking in gevaar wordt gebracht of dat een bedreigende, vijandige, beledigende, vernederende of kwetsende omgeving wordt gecreëerd;
  • 4° ongewenst seksueel gedrag op het werk : elke vorm van verbaal, niet-verbaal of lichamelijk gedrag van seksuele aard waarvan degene die zich er schuldig aan maakt, weet of zou moeten weten dat het afbreuk doet aan de waardigheid van vrouwen en mannen op het werk;
  • 5° andere personen op de arbeidsplaatsen : iedere persoon die in contact treedt met de werknemers bij de uitvoering van hun werk, inzonderheid de klanten, de leveranciers, dienstverleners, leerlingen en studenten en personen die uitkeringen genieten;
  • 6° de bevoegde preventieadviseur : de natuurlijke persoon die verbonden is hetzij aan een interne dienst hetzij aan een externe dienst voor preventie en bescherming op het werk, zoals bedoeld in de wet en aangeduid overeenkomstig artikel 32sexies van de wet die deskundig is op het vlak van de psycho-sociale aspecten van het werk, waaronder het geweld, de pesterijen en het ongewenst seksueel gedrag op het werk;
  • 7° de vertrouwenspersoon : de persoon die de preventieadviseur bijstaat zoals bedoeld en aangeduid overeenkomstig artikel 32sexies van de wet.
  • 8° het Comité : het Comité voor preventie en bescherming op het werk, bij ontstentenis van een comité, de vakbondsafvaardiging en bij ontstentenis van een vakbondsafvaardiging de werknemers zelf overeenkomstig de bepalingen van artikel 53 van de wet.

Afdeling II.

Algemene beginselen

Art. 3.

De werkgever stelt in het kader van het dynamisch risicobeheersingsysteem, op basis van de resultaten van de risicoanalyse, de preventiemaatregelen vast die moeten genomen worden in toepassing van artikel 32quater van de wet.
De resultaten van de risicoanalyse en de preventiemaatregelen worden opgenomen in een specifiek luik in het globaal preventieplan en, in voorkomend geval, in het jaarlijks actieplan bedoeld in de artikelen 10 en 11 van het koninklijk besluit van 27 maart 1998 betreffende het beleid inzake het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk.

Art. 4. 

Onverminderd het bepaalde in artikel 8 van het koninklijk besluit van 27 maart 1998 betreffende het beleid inzake het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk, moet de werkgever een risicoanalyse uitvoeren voor alle feiten inzake geweld, pesterijen of ongewenst seksueel gedrag op het werk waarvan de werknemers het slachtoffer zijn geweest en die het voorwerp zijn van een met redenen omklede klacht of die werden ingeschreven in het register over feiten van geweld op het werk bedoeld in artikel 6.
Deze analyse moet toelaten de doeltreffendheid van de preventiemaatregelen te evalueren en in voorkomend geval de te nemen gepaste preventiemaatregelen te bepalen, ondermeer op vlak van :

  • 1° de organisatie van de onderneming of van de instelling;
  • 2° de inrichting van de arbeidsplaatsen;
  • 3° de herziening van de procedures indien is gebleken dat deze niet geschikt of niet toepasbaar blijken te zijn;
  • 4° de informatie en de opleiding van de werknemers.
Art. 5.

§ 1. Onverminderd de toepassing van de bepalingen van de artikelen 17 tot 21 van het koninklijk besluit van 27 maart 1998 betreffende het beleid inzake het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk, neemt de werkgever de nodige maatregelen opdat de werknemers, de leden van de hiërarchische lijn en de leden van het comité over alle nuttige informatie beschikken betreffende :

  • 1° de resultaten van de risicoanalyse bedoeld in artikelen 3 en 4 en de toepasselijke preventiemaatregelen;
  • 2° de procedures die van toepassing zijn wanneer een werknemer het slachtoffer meent te zijn van geweld, pesterijen of ongewenst seksueel gedrag op het werk;
  • 3° het recht voor de werknemer om een verklaring te doen acteren wanneer hij meent het slachtoffer te zijn van geweld, pesterijen of ongewenst seksueel gedrag op het werk die extern zijn aan de onderneming;
  • 4° de diensten of instellingen waarop een beroep wordt gedaan in toepassing van artikel 32quinquies van de wet;
  • 5° de maatregelen die werden genomen ingevolge een met redenen omklede klacht;
  • 6° de verplichting om zich te onthouden van geweld, pesterijen en ongewenst seksueel gedrag op het werk.

Bovendien heeft elke werknemer die een beroep doet op de vertrouwenspersoon of de preventieadviseur het recht te weten welk gevolg er werd gegeven aan de door hem aanhangig gemaakte zaak.

§ 2. Bovendien zorgt de werkgever er voor dat de werknemers, de leden van de hiërarchische lijn en de leden van het comité de nodige opleiding ontvangen, opdat zij de preventiemaatregelen, de procedures en de rechten en verplichtingen waarover zij informatie ontvangen in toepassing van § 1, 1°, 2°, 3° en 6° adequaat kunnen toepassen.

Afdeling III.

Specifieke verplichtingen van de werkgevers van de ondernemingen en instellingen die in contact met het publiek werken

Art. 6.

§ 1. In de ondernemingen en instellingen waarin de werknemers in contact komen met het publiek, is de werkgever ertoe gehouden systematisch de verklaring te noteren van de werknemers die menen het slachtoffer te zijn van feiten van geweld, pesterijen of ongewenst seksueel gedrag op het werk, die extern zijn aan de onderneming of instelling.
Deze verklaring wordt opgenomen in een register over feiten van geweld op het werk.
Alleen de werkgever, de preventieadviseur, de vertrouwenspersoon en de met het toezicht belaste ambtenaar hebben toegang tot dit register.
De werkgever waakt erover dat de in het eerste lid bedoelde verklaringen meegedeeld worden aan de bevoegde preventieadviseur.
Het register over feiten van geweld wordt ter beschikking gehouden van de met het toezicht belaste ambtenaar.

§ 2. De werkgever bewaart de verklaring inzake de feiten van geweld, pesterijen en ongewenst seksueel gedrag op het werk gedurende vijf jaren, te rekenen vanaf de dag dat het slachtoffer deze verklaring heeft afgelegd.
Wanneer de werkgever zijn activiteiten stopzet, bezorgt hij de verklaringen inzake de feiten van geweld, pesterijen en ongewenst seksueel gedrag op het werk aan de administratie van de arbeidshygiëne en -geneeskunde binnen een termijn van drie maanden vanaf de stopzetting van zijn activiteiten.

Afdeling IV.

Specifieke verplichtingen van de preventieadviseur arbeidsgeneesheer

Art. 7. 

De preventieadviseur arbeidsgeneesheer die bij gelegenheid van om het even welk medisch onderzoek betreffende het gezondheidstoezicht op de werknemers vaststelt dat de gezondheidstoestand van een werknemer aangetast is ingevolge geweld, pesterijen of ongewenst seksueel gedrag op het werk :

  • 1° informeert de slachtoffers over de mogelijkheid zich te wenden tot de bevoegde preventieadviseur of de vertrouwenspersoon;
  • 2° kan de bevoegde preventieadviseur zelf informeren, indien hij oordeelt dat het slachtoffer niet in staat is zich zelf tot deze adviseur te wenden en onder voorbehoud van het akkoord van dit slachtoffer.

Afdeling V.

Taken van de bevoegde preventieadviseur en van de vertrouwenspersoon

Art. 8.

§ 1. De bevoegde preventieadviseur en, in voorkomend geval, de vertrouwenspersoon staan de werkgever, de leden van de hiërarchische lijn en de werknemers bij, voor de toepassing van de maatregelen bedoeld bij de wet en dit besluit.
De bevoegde preventieadviseur en de vertrouwenspersoon plegen regelmatig overleg.

§ 2. De vertrouwenspersoon die de bevoegde preventieadviseur bijstaat is inzonderheid belast met de volgende taken :

  • 1° hij neemt deel aan de uitwerking van de te volgen procedures in geval van geweld, pesterijen en ongewenst seksueel gedrag op het werk;
  • 2° hij geeft raad, en biedt opvang, hulp en de vereiste bijstand aan de slachtoffers van geweld, pesterijen en ongewenst seksueel gedrag op het werk;
  • 3° hij ontvangt de met redenen omklede klachten van de slachtoffers van geweld, pesterijen en ongewenst seksueel gedrag op het werk;
  • 4° hij bezorgt de met redenen omklede klachten bedoeld in 3° aan de bevoegde preventieadviseur.

§ 3. Naast de taken bedoeld in § 2, 1° tot 3° is de bevoegde preventieadviseur belast met de volgende taken :

  • 1° hij werkt mee aan de risicoanalyse bedoeld in de artikelen 3 en 4;
  • 2° hij onderzoekt de met redenen omklede klachten en stelt aan de werkgever maatregelen voor om een einde te maken aan het geweld, de pesterijen en het ongewenst seksueel gedrag op het werk;
  • 3° hij onderneemt de nuttige stappen, bedoeld in artikel 14 zodat er een einde kan worden gesteld aan het geweld, de pesterijen en het ongewenst seksueel gedrag op het werk;
  • 4° hij brengt advies uit over de diensten of instellingen waarop de werkgever beroep kan doen in toepassing van artikel 32quinquies van de wet;
  • 5° hij stelt een individueel klachtendossier samen betreffende de feiten van geweld, pesterijen en ongewenst seksueel gedrag op het werk en houdt het bij;
  • 6° hij stelt regelmatig een verslag op over de met redenen omklede klachten die betrekking hebben op de feiten van geweld, pesterijen en ongewenst seksueel gedrag op het werk die zich in de onderneming of instelling hebben voorgedaan. Dit verslag bevat enkel collectieve en anonieme gegevens.
    Het verslag bedoeld in het eerste lid, 6° is bestemd voor de werkgever en wordt bijgehouden door de interne dienst. Het wordt ter informatie aan het Comité voorgelegd en ter beschikking gehouden van de met het toezicht belaste ambtenaar.
Art. 9. 

Het individueel klachtendossier omvat :

  • 1° de documenten die de verklaringen van het slachtoffer en de getuigen weergeven en, in voorkomend geval, het resultaat van de bemiddelingspoging;
  • 2° de documenten die de verklaringen van de dader of de daders van geweld, pesterijen of ongewenst seksueel gedrag op het werk weergeven;
  • 3° de voorstellen aan de werkgever betreffende de toe te passen passende maatregelen;
  • 4° in voorkomend geval, de vraag tot tussenkomst van de medische arbeidsinspectie;
  • 5° het document dat de met redenen omklede klacht omvat;
  • 6° het document waarbij de met redenen omklede klacht werd meegedeeld aan de werkgever;
  • 7° specifieke gegevens van persoonlijke aard die door de bevoegde preventieadviseur werden vastgesteld naar aanleiding van de verklaringen en die uitsluitend aan hem zijn voorbehouden.

Het individueel klachtendossier wordt bewaard door de bevoegde preventieadviseur en onder zijn uitsluitende verantwoordelijkheid.

De preventieadviseur kan de bewaring van het dossier toevertrouwen aan de vertrouwenspersoon die hem bijstaat en deze persoon kan er toegang toe hebben, indien hij niet instaat voor de bewaring. In die gevallen, mag de vertrouwenspersoon de gegevens waarvan hij kennis heeft niet bekend maken.

Het individueel klachtendossier dat de gegevens bedoeld in het eerste lid, 1° tot 6° bevat, wordt ter beschikking gehouden van de met het toezicht belaste ambtenaar en de voormelde gegevens dienen hem te worden voorgelegd telkens wanneer de preventieadviseur zich tot deze ambtenaar wendt met toepassing van artikel 32septies van de wet.

Afdeling VI.

Interne procedure

Art. 10. 

Wanneer een vertrouwenspersoon is aangeduid, wendt de werknemer die meent het slachtoffer te zijn van geweld, pesterijen of ongewenst seksueel gedrag op het werk zich tot deze persoon, behalve indien hij verkiest zich rechtstreeks te richten tot de bevoegde preventieadviseur.

De vertrouwenspersoon hoort het slachtoffer en bemiddelt op zijn verzoek met de dader van het geweld, de pesterijen of het ongewenst seksueel gedrag op het werk.

Indien de bemiddeling tot geen resultaat leidt of onmogelijk blijkt, neemt de vertrouwenspersoon, op uitdrukkelijk verzoek van het slachtoffer, de met redenen omklede klacht in ontvangst, die hij onmiddellijk doorzendt aan de bevoegde preventieadviseur.

Art. 11. 

Wanneer geen vertrouwenspersoon is aangeduid wendt de werknemer die meent het slachtoffer te zijn van geweld, pesterijen of ongewenst seksueel gedrag op het werk zich tot de bevoegde preventieadviseur.

Art. 12. 

De bevoegde preventieadviseur hoort het slachtoffer en bemiddelt op zijn verzoek met de dader van het geweld, de pesterijen of het ongewenst seksueel gedrag op het werk.
Indien de bemiddeling tot geen resultaat leidt of onmogelijk blijkt neemt de bevoegde preventieadviseur op uitdrukkelijk verzoek van het slachtoffer de met redenen omklede klacht in ontvangst.

Art. 13. 

De met redenen omklede klacht wordt opgenomen in een document dat wordt gedateerd en waarin de verklaringen van het slachtoffer en de getuigen worden opgenomen en in voorkomend geval het resultaat van de bemiddeling.
Het slachtoffer en de getuige ontvangen een afschrift van hun verklaring.

Art. 14. 

Van zodra een met redenen omklede klacht is ingediend brengt de bevoegde preventieadviseur de werkgever hiervan op de hoogte door hem een afschrift van het in artikel 13 bedoelde document te bezorgen en nodigt hij de werkgever uit om passende maatregelen te nemen.
De bevoegde preventieadviseur onderzoekt volledig onpartijdig de met redenen omklede klacht en doet aan de werkgever een voorstel betreffende de toe te passen passende maatregelen.
De werkgever treft de passende maatregelen om een einde te stellen aan de feiten van geweld, pesterijen en ongewenst seksueel gedrag op het werk.
In voorkomend geval, past de bevoegde preventieadviseur de maatregelen bedoeld in artikel 32septies van de wet toe.

Art. 15. 

Overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 32nonies en 32decies van de wet doen de bepalingen van de artikelen 10 tot 14 geen afbreuk aan het recht van het slachtoffer om zich rechtstreeks te richten tot de met het toezicht belaste ambtenaar of om een gerechtelijke procedure in te stellen.

Afdeling VII.

Voorwaarden om de functie van bevoegde preventieadviseur of vertrouwenspersoon te vervullen

Art. 16. 

De preventieadviseurs van de interne en de externe dienst voor preventie en bescherming op het werk die belast zijn met de opdrachten en taken vastgesteld krachtens hoofdstuk Vbis van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk, moeten beantwoorden aan de voorwaarden vastgesteld in artikel 22, eerste lid, 5°, van het koninklijk besluit van 27 maart 1998 betreffende de externe diensten voor preventie en bescherming op het werk.

In afwijking van het eerste lid, mogen de preventieadviseurs van de interne dienst voor preventie en bescherming op het werk die beantwoorden aan de voorwaarden vastgesteld in artikel 22, § 1, van het koninklijk besluit van 27 maart 1998 betreffende de interne dienst voor preventie en bescherming op het werk eveneens belast worden met de in het eerste lid bedoelde opdrachten en taken, voorzover voldaan wordt aan de volgende voorwaarden :

  • 1° er is in de interne dienst voor preventie en bescherming op het werk geen preventieadviseur aanwezig die voldoet aan de voorwaarden gesteld in artikel 22, eerste lid, 5°, van het koninklijk besluit van 27 maart 1998 betreffende de externe diensten voor preventie en bescherming op het werk;
  • 2° deze preventieadviseur wordt hoofdzakelijk belast met de opdrachten en taken vastgesteld krachtens hoofdstuk Vbis van de voornoemde wet van 4 augustus 1996 en met andere opdrachten en taken inzake psycho-sociale belasting veroorzaakt door het werk bedoeld in artikel 4, § 1, eerste lid, 3°, van de voornoemde wet;
  • 3° deze preventieadviseur levert het bewijs dat hij over ten minste drie jaar ervaring beschikt op het vlak van de psycho-sociale belasting veroorzaakt door het werk.
Art. 17. 

Kan bovendien als bevoegde preventieadviseur in de interne dienst worden aangewezen, de vertrouwenspersoon die door de werkgever werd aangeduid krachtens de wetgeving betreffende ongewenst seksueel gedrag op het werk, die op de datum van inwerkingtreding van dit besluit bewijst dat hij werkelijk en zonder onderbreking de functie al minstens drie jaren uitoefent en die verklaart de vorming te volgen die voorzien is in artikel 22, eerste lid, 5°, van het koninklijk besluit van 27 maart 1998 betreffende de externe diensten voor preventie en bescherming op het werk.
Het feit dat de vertrouwenspersoon geen houder is van een academische titel, vormt geen beletsel voor deze aanduiding.
De werkgever brengt het bewijs bedoeld in het eerste lid ter kennis van de met het toezicht belaste ambtenaar, zodra het Comité zijn akkoord heeft gegeven.

Art. 18. 

De personen die in toepassing van andere wetgevingen in verband met ongewenst seksueel gedrag op het werk werden aangeduid door de werkgever om hulp te verlenen aan de slachtoffers van dergelijke daden kunnen eveneens de functie van vertrouwenspersoon bedoeld in artikel 32sexies van de wet vervullen, voor zover zij hiertoe worden aangeduid door de werkgever overeenkomstig de bepalingen van dat artikel.

Afdeling VIII.

Overgangsbepalingen

Art. 19. 

De bevoegde preventieadviseurs dienen aangeduid te worden uiterlijk binnen de zes maanden na de inwerkingtreding van dit besluit.

Totdat deze aanduiding is gebeurd worden de opdrachten en taken bedoeld bij dit besluit uitgeoefend door één van de volgende personen :

  • 1° ofwel de preventieadviseur van de interne dienst wanneer de werkgever meer dan 20 werknemers tewerkstelt;
  • 2° ofwel de vertrouwenspersoon aangeduid in toepassing van de wetgeving inzake ongewenst seksueel gedrag op het werk;
  • 3° ofwel een preventieadviseur van de externe dienst voor preventie en bescherming op het werk.

Afdeling IX.

Wijzigingsbepalingen

Art. 20. 

Artikel 4, eerste lid, van het koninklijk besluit van 27 maart 1998 betreffende het beleid inzake het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk wordt aangevuld als volgt :
« 8° de bescherming van de werknemers tegen geweld, pesterijen en ongewenst seksueel gedrag op het werk. »

Art. 21. 

Artikel 9, derde lid, van hetzelfde besluit wordt aangevuld als volgt:
«
13° de bescherming van de werknemers tegen geweld, pesterijen en ongewenst seksueel gedrag op het werk. »

Art. 22. 

Artikel 14, tweede lid, 4° van hetzelfde besluit wordt vervangen als volgt :
« 4° de ongevallen, incidenten en feiten van geweld, pesterijen of ongewenst seksueel gedrag op het werk die zich in de onderneming of instelling hebben voorgedaan. »

Art. 23. 

In artikel 22, tweede lid, van hetzelfde besluit worden de woorden « of instelling » vervangen door de woorden « of instelling evenals aan de gevallen van geweld van externe oorsprong ».

Art. 24. 

Artikel 13ter van het koninklijk besluit van 27 maart 1998 betreffende de externe diensten voor preventie en bescherming op het werk, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 20 februari 2002, wordt aangevuld als volgt :
« 3° de opdrachten en taken in verband met de preventie en bescherming tegen geweld, pesterijen en ongewenst seksueel gedrag op het werk, die aan de preventieadviseur zijn toegewezen in toepassing van hoofdstuk Vbis van de wet ».

Art. 25. 

In artikel 21 en artikel 22, eerste lid, 5°, van hetzelfde besluit worden de woorden « waaronder geweld, pesterijen en ongewenst seksueel gedrag op het werk » ingevoegd na de woorden « de psycho-sociale aspecten van de arbeid ».

Art. 26. 

In artikel 2, 4° van het koninklijk besluit van 27 maart 1998 betreffende de Interne Dienst voor preventie en bescherming op het Werk worden de woorden « artikel 14, derde lid, 3° tot 5° » vervangen door de woorden « artikel 14, derde lid, 3° en 4° ».

Art. 27. 

In artikel 14 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 3 mei 1999, worden de volgende wijzigingen aangebracht :

  • 1° in het derde lid, 5°, worden de woorden « waaronder geweld, pesterijen en ongewenst seksueel gedrag op het werk » ingevoegd na de woorden « de psychosociale aspecten van de arbeid »;
  • 2° in het zevende lid worden de woorden « het tweede lid, 3° tot 5° » vervangen door de woorden « het tweede lid, 3° en 4° » en worden de woorden « artikel 22, 3° tot 5° » vervangen door de woorden « artikel 22, 3° en 4° ».

Afdeling X.

Slotbepalingen

Art. 28. 

De sociale inspecteurs van de Medische Arbeidsinspectie van de Administratie van de Arbeidshygiëne en -geneeskunde zijn belast met het toezicht op de naleving van de bepalingen van de wet en dit besluit.

Art. 29. 

De bepalingen van artikel 1 tot 19 vormen titel VIII, hoofdstuk VI, van de codex over het welzijn op het werk met de volgende opschriften :

  • 1° « Titel VIII. - Bijzondere werknemerscategorieën en werksituaties. »
  • 2° « Hoofdstuk VI. - Bijzondere maatregelen betreffende geweld, pesterijen en ongewenst seksueel gedrag op het werk. »
Art. 30. 

Dit besluit heeft uitwerking met ingang van 1 juli 2002.

Art. 31. 

Onze Minister van Werkgelegenheid is belast met de uitvoering van dit besluit.

Gegeven te Brussel, 11 juli 2002.